Informatie

 

Zoeken




Onderwerpen: 85


Afwegingskader kraamzorg (Landelijke Meldcode Kindermishandeling en Huiselijk Geweld)

Meldcode en afwegingskader huiselijk geweld en kindermishandeling   De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd  (IGJ) hecht veel belang aan de juiste werkwijze binnen organisaties om mishandeling te voorkomen, te signaleren en aan te pakken. De inspectie verwacht dan ook van alle zorgorganisaties en zorgmedewerkers dat zij werken volgens de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. In 2018 is deze wet middels een besluit verder aangescherpt en vanaf 1 januari 2019 is iedere sector ook verplicht een afwegingskader te hanteren en zijn zorgprofessionals iedere vorm (of vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling verplicht te melden bij Veilig thuis.   Mishandeling Mishandeling kent verschillende vormen, te weten psychische mishandeling, lichamelijke mishandeling, financiële uitbuiting, verwaarlozing en seksueel misbruik. Ze komt in twee settings voor: mishandeling en geweld in huiselijke kring. Een pleger is partner, kind of familielid van slachtoffers of medebewoners mishandeling en geweld gepleegd door professionals. Een pleger is een professional werkzaam voor een intramurale of extramurale instelling. Slachtoffers zijn van de professional afhankelijk voor het dagelijks functioneren, zoals huishoudelijke hulp, verpleging en  verzorging; In beide settings hebben organisaties en professionals een belangrijke signalerende rol en moeten zij handelen zodat het geweld zo vroeg mogelijk kan worden gestopt. De Meldcode is alleen bedoeld voor mishandeling en geweld in huiselijke kring.   Meldcode Doel van de meldcode: (kraam)verzorgenden en verpleegkundigen ondersteunen in de omgang met signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. De meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling helpt professionals in vijf stappen zorgvuldig te handelen. De meldcode is vernieuwd en in deze verbeterde meldcode is vastgelegd dat het de professionele norm is om  acute en/of structurele onveiligheid altijd te melden bij Veilig Thuis. Daarbij vormt het werken met de meldcode een nadere uitwerking van het leveren van verantwoorde zorg in het kader van de Wkkgz. Zie hiervoor ook  Paragraaf 2.6 Het afwegingskader (te vinden op de ledensite van Bo Geboortezorg) is gebaseerd op de meldcode van V&VN , deze vormen samen een handreiking voor organisaties bij het opstellen van een code voor de eigen organisatie en vormen de basis van de ‘checklist meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’, tevens te vinden op de ledensite van Bo. In deze checklist zijn de stappen die genomen moeten worden om een meldcode op te stellen uitgebreid beschreven. U kunt daarbij ook gebruik maken van het protocol Vroegsignalering & werken met de meldcode van het KCKZ. Een goede implementatie van de code, haar afwegingskader én een veilig werkklimaat is noodzakelijk voor het signaleren en het zetten van de stappen. Ook de randvoorwaarden zijn hierbij van belang. Op basis van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn in de checklist de volgende voorbeeldreglementen opgenomen: Randvoorwaarden die moeten borgen dat de meldcode op de juiste wijze toegepast wordt en geïmplementeerd blijft. Hierin worden de verantwoordelijkheden van u als werkgever beschreven. Voorbeeld meldcode bij signalen van huiselijk geweld Voorbeeld stappenplan bij signalen van huiselijk geweld   Op 31 juli 2013 is het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in werking getreden. Art. 2 van het besluit bepaalt o.a. dat een meldcode tenminste zes elementen bevat: het stappenplan (bestaat uit 5 stappen): in kaart brengen van de signalen, collegiale consultatie, raadpleging Veilig Thuis of een letselduiding-deskundige, een gesprek met de cliënt, wegen van het geweld en bij twijfel Veilig Thuis raadplegen, en dan neemt u de beslissing: melden bij Veilig Thuis en zo mogelijk hulp organiseren verantwoordelijkheidstoedeling, o.a. wie eindverantwoordelijk is voor de beslissing over het al dan niet doen van een melding; indien van toepassing: specifieke aandacht voor bijzondere vormen van geweld, zoals eergerelateerd geweld indien van toepassing: de mogelijkheid van het gebruik van de verwijsindex risicojongeren (art. 2b Wet op de jeugdzorg); voor zover van toepassing: instructies voor het uitvoeren van een kindcheck bij cliënten. Dit element is toegevoegd op grond van een aangenomen motie. De kindcheck behelst het nagaan of er kinderen onder de zorg van de cliënt staan en beoordelen of kan worden vastgesteld of de kinderen veilig zijn. specifieke aandacht voor het vertrouwelijke karakter van gegevens. Het gaat hier om het (afgeleide) beroepsgeheim. In de meldcode wordt de zorgvuldige omgang met gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, geborgd. Professionals hebben het wettelijke recht om te melden bij Veilig Thuis en desgevraagd gegevens te verstrekken, zonodig zonder toestemming van de cliënt.   Met inachtneming van bovenstaande minimumeisen dienen organisaties (en overigens ook zelfstandig werkende professionals) een meldcode op te stellen die past bij de eigen werksituatie qua omvang, inrichting en type werk. Daarnaast dient u door middel van scholing het gebruik ervan te bevorderen.     De kindcheck Meer informatie over de kindcheck vindt u op www.kindcheck.nl. Hier vindt u onder andere een gratis online cursus en een algemene handleiding kindcheck.     Scholing Aanvullend op de meldcode is door veldpartijen in 2014 de leidraad  “Verwerving benodigde competenties Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling” opgesteld. Deze leidraad geeft zorgorganisaties en medewerkers enerzijds aan welke competenties er nodig zijn in relatie tot de taken van de betrokken medewerkers. Anderzijds biedt het adviezen voor het scholingsbeleid van de organisaties. Aldus bevordert u het gebruik van de meldcode, een eis uit die wet waarop IGJ zal handhaven. De leidraad vindt u op het ledendeel van de website.   In paragraaf 5.4 leest u meer over het toezicht van IGJ en de meldpunten die hiertoe ingericht zijn.   Zie ook www.informatiehuiselijkgeweld.nl of www.vooreenveiligthuis.nl   Op de website van VWS vindt u veel (achtergrond)informatie: www.huiselijkgeweld.nl     Het hanteren van de meldcode is een lidmaatschapsverplichting van Bo Geboortezorg.    


Algemene leveringsvoorwaarden

Algemene leveringsvoorwaarden   In algemene voorwaarden (AV) worden rechten en plichten van zorgaanbieders en cliënten helder omschreven. Dat schept duidelijkheid en versterkt de positie en het vertrouwen van cliënt en aanbieder jegens elkaar. De cliënt komt centraal te staan en er is een goed evenwicht tussen zorg en zakelijkheid. De algemene leveringsvoorwaarden bieden evenwicht en verschaffen duidelijkheid en rechtszekerheid in de relatie cliënt- zorgorganisatie en zorgen voor een gelijk speelveld voor de zorgaanbieders. Algemene voorwaarden bieden de cliënt een ‘keurmerk’ als keuzecriterium. In de kraamzorg worden de algemene leveringsvoorwaarden kraamzorg gebruikt.   Algemene leveringsvoorwaarden Kraamzorg De Algemene Leveringsvoorwaarden kraamzorg zijn van toepassing op alle contracten tussen cliënten en zorgorganisaties in de kraamzorg. In het kader van de versterking van de positie van de cliënt in de zorg zijn onder begeleiding van de SER door Bo Geboortezorg en NPCF, LOC en Consumentenbond deze voorwaarden tot stand gekomen. De voorwaarden stellen de cliënt centraal en bieden een goed evenwicht tussen zorg en zakelijkheid.   De algemene leveringsvoorwaarden bieden evenwicht en verschaffen duidelijkheid en rechtszekerheid in de relatie cliënt- zorgorganisatie en zorgen voor een gelijk speelveld voor de zorgaanbieders. Deze algemene voorwaarden zijn tweezijdig opgesteld en werken concreet uit wat partijen van elkaar mogen verwachten in een ‘zorgverleningsrelatie’. Het gaat om wederzijdse verantwoordelijkheden.   De meest recente versie van de tweezijdige Algemene Leveringsvoorwaarden Kraamzorg is vastgesteld in april 2018. Deze voorwaarden blijven van toepassing tot nieuwe voorwaarden worden vastgesteld.   De set Algemene Voorwaarden Kraamzorg bestaat uit: De Algemene voorwaarden kraamzorg 2018. Model zorgovereenkomst Kraamzorg 2018


Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)

Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)   Inleiding Per 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Dat betekent dat er vanaf die datum dezelfde privacywetgeving geldt in de gehele Europese Unie (EU). De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vervalt vanaf die datum.   Het doel van deze wet Tussen 1995 en nu is de samenleving gedigitaliseerd, er is een enorme toename in dataverkeer en de technologie ontwikkelt zich steeds sneller. Als gevolg hiervan is er een toename in het verzamelen en delen van gegevens, in de risico’s van cybercrime en in de vraag van burgers wat er met zijn of haar persoonsgegevens wordt gedaan. De wetgeving was volgens de Europese Commissie toe aan vernieuwing, en daarom stelde de Commissie in 2012 de Algemene Verordening Gegevensbescherming voor. Het doel van de AVG is om de gegevens van personen beter te beveiligen. De privacy-rechten van de betrokkenen zullen versterkt worden en daarnaast zullen er meer verantwoordelijkheden voor organisaties komen.   Inhoud en toepassing van de wet Enkele belangrijke aspecten van de AVG: Datalekken / Melding van beveiligingsproblemen: In Nederland kennen wij al een meldplicht voor datalekken. Ook in de AVG geldt dat als er – met opzet of per ongeluk – data verloren gaan of geopenbaard worden, binnen 72 uur aan de toezichthouder moet worden gemeld. Als de gevolgen voor de betrokkenen groot zijn, dan moet dit aan hen gemeld worden. In ieder geval moet elk datalek worden geregistreerd. Documentatieplicht: De bewerker en de verantwoordelijke moeten een register bijhouden met daarin een beschrijving van de verwerking van de persoonsgegevens. Dit register moet een actueel inzicht geven van wat er wordt opgeslagen, doel van de opslag, bewaartermijn etc. Bewerkersovereenkomst: verplichte onderdelen die in een bewerkersovereenkomst verwerkt dienen te worden tussen bewerker en een externe partij die persoonsgegevens voor hem verwerkt. In ieder geval dienen in een bewerkersovereenkomst de volgende gegevens te worden verwerkt: Doel(en) van de gegevensverwerking De aard van de verwerkte persoonsgegevens Beveiliging van de gegevens Uitvoering van audits Bij beëindiging van de verwerking vernietigen of retourneren van data aan de verantwoordelijke. Toestemming of wettelijk voorschrift: Er is expliciete toestemming van de betrokkene nodig voor het gebruiken van zijn of haar gegevens. Ook mag gebruik worden gemaakt van de gegevens van een persoon indien de wet dit voorschrijft. Vergeetrecht: Betrokkene heeft het recht om vergeten te worden. De betrokkene kan een verzoek hiertoe indienen bij een bedrijf dat zijn of haar persoonsgegevens verwerkt. Recht op dataportabiliteit: Betrokkene kan van de verwerkingsverantwoordelijke verlangen dat zijn persoonsgegevens aan hem worden verstrekt in een gestructureerde, gangbare en machinaal leesbare vorm. Onder de AVG kunnen de boetes hoger uitvallen dan onder de Wbp: tot 20 miljoen euro of 4% van de jaaromzet. Vaak gaat hier nog wel een waarschuwing aan vooraf. Dit doet echter niet af aan de bevoegdheid om direct een boete op te leggen.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Eenieder bedrijf in Nederland dat persoonsgegevens verwerkt dient te voldoen aan de AVG. Zo ook kraamzorgorganisaties. Leden van Bo Geboortezorg dienen in acht te nemen dat zij te maken krijgen met bijzondere persoonsgegevens van de cliënt. Met de medische gegevens over de behandeling van de cliënt dient extra zorgvuldig mee omgegaan te worden. Leden van Bo Geboortezorg doen er goed aan het door Bo ontwikkelde stappenplan te doorlopen. Door dit stappenplan te volledig te doorlopen maken leden een goede start bij de implementatie van de wet.   Stappenplan AVG Ter voorbereiding op de AVG heeft Bo Geboortezorg een stappenplan opgesteld voor haar leden. Het doel van het stappenplan is om kraamzorgorganisaties houvast te geven tijdens de voorbereidingen voor de AVG. Dit stappenplan biedt handvatten voor de leden van Bo Geboortezorg om te voldoen aan de AVG en is uitsluitend bedoeld ter ondersteuning bij de implementatie van de AVG. Na het doorlopen van dit stappenplan houdt uitvoering geven aan de privacy wetgeving echter niet op. U bent zelf verantwoordelijk voor de juiste implementatie van de AVG en dient hier zelf gepaste maatregelen voor te nemen.    


Arbeidsomstandighedenwet (Arbo-wet)

Arbeidsomstandighedenwet (Arbo-wet)   Inleiding Volgens de Arbo-wet zijn werkgevers verplicht om een arbeidsomstandighedenbeleid te voeren en zodoende ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en beroepsziekten te voorkomen. In de wet komen onder meer aan de orde: -             de uitgangspunten van het Arbobeleid; -             de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E); -             de organisatie van de arbeidsomstandigheden; -             de ondersteuning door Arbodeskundigen; -             de handhaving van de wet door de Arbeidsinspectie (inspectie SZW)   Het doel van deze wet De overheid stelt doelen vast voor de veiligheid en gezondheid in bedrijven. Hierin staat beschreven welke mate van bescherming bedrijven moeten bieden aan werknemers, zodat zij veilig en gezond kunnen werken. De doelvoorschriften zijn opgenomen in de Arbo-wet, het Arbobesluit en de Arboregeling. Werknemers en werkgevers maken samen afspraken over hoe de doelen op het gebied van veilig en gezond werken worden bereikt. Inhoud en toepassing van deze wet De arbowet, het arbobesluit en de arboregeling vormen samen de doelvoorschriften.   Arbowet: De Arbowet vormt de basis van de arbowetgeving. Hierin staan de algemene bepalingen die gelden voor alle plekken waar arbeid wordt verricht (dus ook voor verenigingen en stichtingen). De Arbowet is een kaderwet. Dat betekent dat er geen concrete regels in staan. Die zijn verder uitgewerkt in het Arbobesluit en de Arboregeling. Arbobesluit: Het Arbobesluit is een uitwerking van de Arbowet. Hierin staan de regels waar zowel werkgever als werknemer zich aan moeten houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. Deze regels zijn verplicht. Er staan ook afwijkende en aanvullende regels in voor een aantal sectoren en categorieën werknemers. Arboregeling: De Arboregeling is weer een verdere uitwerking van het Arbobesluit. Het gaat hierbij om concrete voorschriften. Bijvoorbeeld de eisen waar arbeidsmiddelen aan moeten voldoen of hoe een arbodienst zijn wettelijke taken exact moet uitvoeren. Ook deze regels zijn verplicht voor werkgever en werknemer.   Werkgevers bekijken samen met de werknemers (via ondernemingsraad of personeelsvereniging) hoe aan deze doelvoorschriften het best voldaan kan worden. Dit wordt vastgelegd in een arbocatalogus. Organisaties kunnen zelf een arbocatalogus opstellen of zich aansluiten bij de arbocatalogus van hun branche. De kraamzorg maakt gebruik van de arbocatalogus VVT   De Inspectie SZW toetst de arbocatalogi die voor een hele sector of branche worden opgesteld, om zeker te stellen dat aan de doelvoorschriften wordt voldaan.   Organisaties moeten zich bij het opstellen en uitvoeren van een arbeidsomstandighedenbeleid en ziekteverzuimbeleid deskundig laten ondersteunen. Zo moet een RI&E worden getoetst door een gecertificeerde arbodienst of een gecertificeerde arbokerndeskundige. Heeft u niet meer dan 25 werknemers in dienst, dan is die toetsing van de RI&E door een deskundige niet meer verplicht als u de (branche-erkende) ZorgRIE gebruikt.   Een werkgever kan kiezen: voor een contract met een arbodienst: Voor de deskundige ondersteuning bij arbobeleid en verzuimbeleid kunt u kiezen voor een contract met een arbodienst. U bepaalt dan zelf hoe en met welke deskundige de preventie en begeleiding van ziekteverzuim wordt geregeld. voor een maatwerkregeling: De ondernemingsraad moet instemmen met de eigen regeling. Voor maatwerk geldt een aantal voorwaarden.   Voorwaarden voor maatwerk: U moet het over de door u gekozen vorm van arbodienstverlening eens zijn met uw werknemers via uw ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging. U moet voor de beoordeling van uw risico-inventarisatie en –evaluatie (RI&E) een gecertificeerde arbodeskundige inschakelen. Voor ziekteverzuimbegeleiding, arbeidsgezondheidskundig onderzoek en aanstellingskeuringen moet een bedrijfsarts beschikbaar zijn. Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg De werkgever moet er in ieder geval voor zorgen dat hij: Een arbeidsomstandighedenbeleid (arbobeleid, zie paragraaf 7.5) ontwikkeld. Zo veel mogelijk gevaren voor de gezondheid van werknemers bij de bron aanpakt. De inrichting van de arbeidsplaatsen, de werkmethoden, gebruikte arbeidsmiddelen en arbeidsinhoud zo veel als mogelijk aanpast aan de persoonlijke eigenschappen van de werknemers. Zo veel als mogelijk (‘redelijkerwijs kan worden gevergd’) monotone en tempogebonden arbeid voorkomt of beperkt. Een risico- inventarisatie en -evaluatie (RI&E) uitvoert en een Plan van Aanpak opstelt. Zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn voorkomt of beperkt. Voorlichting geeft aan de werknemers, o.a. op gebruik van arbeidsmiddelen maar ook omgang met agressie en geweld. Arbeidsongevallen en beroepsziekten registreert en meldt(*) Gevaar voor derden in verband met de arbeid die door de werknemers wordt verricht voorkomt. Werknemers in de gelegenheid stelt om periodiek een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. Een basiscontract heeft met een arbodienst of bedrijfsarts. In het basiscontract worden werkafspraken gemaakt voor de taken waarvoor de werkgever zich volgens de Arbowet moet laten bijstaan door kerndeskundigen. Het staat de werkgever verder vrij om zich bij meer taken te laten ondersteunen door een arbodienst (basispluscontract). En klachtenprocedure en second opinion bedrijfsarts beschikbaar heeft. Als een werknemer twijfelt aan de juistheid van het advies van de bedrijfsarts, dan kan de werknemer vragen om een second opinion van een andere bedrijfsarts. Deze bedrijfsarts moet werkzaam zijn bij een andere arbodienst, bedrijf of inrichting dan de eerste bedrijfsarts. De second opinion is erop gericht om de kwaliteit van de bedrijfsgezondheidszorg te verhogen en de werknemer meer zekerheid te geven over de juistheid en onafhankelijkheid van een advies. Open spreekuur bedrijfsarts en vrije toegang tot de werkvloer heeft. Adviesrol bedrijfsarts op het gebied van preventieve maatregelen heeft ingericht. Medewerkers betrekken. Met de instemming op de persoon en de positie van de preventiemedewerker krijgt de ondernemingsraad (OR) meer betrokkenheid bij het arbobeleid.   (*) Wanneer heeft u als werkgever een meldingsplicht bij Inspectie SZW? Arbeidsongevallen die hebben geleid tot de dood, blijvend letsel of een ziekenhuisopname moeten direct aan de Inspectie SZW worden gemeld. Onder blijvend letsel wordt verstaan; amputatie, (deels) blindheid, chronische lichamelijke- of psychische klachten. Onder een ziekenhuisopname wordt verstaan dat een slachtoffer in het ziekenhuis wordt opgenomen, een poliklinische behandeling valt hier dus niet onder.   Als werkgever ben je verplicht om een arbeidsongeval dat tot de dood heeft geleid direct telefonisch te melden bij Inspectie SZW via gratis telefoonnummer 0800-5151. Overige meldingsplichtige arbeidsongevallen (blijvend letsel of een ziekenhuisopname) dient de werkgever direct digitaal te melden door het formulier op de website van Inspectie SZW in te vullen.   Let op! Voor het niet direct melden van een meldingsplichtig ongeval, wordt een boete opgelegd die kan oplopen tot €50.000,-.   Definitie arbeidsongeval Het ongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van werkzaamheden in een bedrijf of op een locatie. Het maakt niet uit of dit een vaste of mobiele werkplek is. Ongevallen in het woon-werkverkeer, dus onderweg van huis naar locatie / cliënt, vallen niet onder het begrip arbeidsongeval, tenzij ze plaatsvinden met voertuigen van de werkgever.


Arbeidsrisico’s

Arbeidsrisico’s   De arbeidsinspectie heeft een brochure uitgebracht met daarin de belangrijkste arbeidsrisico’s in onder andere de thuis- en kraamzorg. In deze publicatie vindt u informatie over de belangrijkste arbeidsrisico’s in de verpleeg- en verzorgingshuiszorg, thuiszorg, jeugdgezondheidszorg en kraamzorg (VVT). U kunt hierin lezen wat u moet regelen op het gebied van arbeidsrisico’s en waar de Arbeidsinspectie op let bij inspecties.   De Arbocatalogus VVT is er speciaal voor de VVT sector, deze vindt u via www.arbocatalogusVVT.nl.   Of lees hier meer over de arbocatalogus VVT.


Arbeidsvoorwaarden

Arbeidsvoorwaarden   Arbeidsvoorwaarden zijn de voorwaarden waarop de werknemer werkt. De meest bekende arbeidsvoorwaarden zijn tijd en geld. Veel arbeidsvoorwaarden zijn afgesproken in de cao. In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. In de cao Kraamzorg en in de ondernemingsovereenkomst worden alle arbeidsvoorwaarden vastgelegd.     Collectieve arbeidsovereenkomst (cao) Een collectieve arbeidsovereenkomst is een schriftelijke overeenkomst waarin afspraken over arbeidsvoorwaarden zijn vastgelegd. Bijvoorbeeld over: loon, toeslagen, betaling van overwerk, werktijden, opzegtermijn of pensioen. De cao kraamzorg wordt afgesloten door Bo (de werkgeversorganisatie) vier werknemersorganisaties (vakbonden). Afspraken in de cao gaan niet boven de wet. Indien cao-bepalingen in strijd zijn met de wet, gelden deze bepalingen niet. Er mag alleen van de wet worden afgeweken wanneer dit positief is, of als in de wet is bepaald dat er in een cao van mag worden afgeweken. De werkgever kan niet onder de cao uit als deze door de branche is opgelegd. En dit geldt voor u voor de cao Kraamzorg 2018-2019. U kunt deze cao vinden op de website voor de cao kraamzorg.   Individuele arbeidsovereenkomst De individuele arbeidsovereenkomst of –contract is een overeenkomst tussen de werknemer en de werkgever en wordt veelal alleen ‘arbeidsovereenkomst’ genoemd. Volgens de wet is een arbeidsovereenkomst de overeenkomst, waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (art. 7:610 lid 1 BW). Hierbij zijn drie elementen van belang: De werknemer verplicht zich de arbeid persoonlijk te verrichten; dus de werknemer voert het werk persoonlijk uit, hij kan zich voor de uitvoering van het werk niet door een ander laten vervangen. De werkgever is verplicht loon te betalen; dus de werknemer ontvangt loon voor het uitgevoerde werk. Er moet een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer bestaan. De werknemer is in dienst van de werkgever en de werkgever kan de werknemer opdrachten geven over het werk.   Soorten arbeidsovereenkomsten Er zijn diverse soorten arbeidsovereenkomsten: Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd; Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is de meest voorkomende vorm van een arbeidsovereenkomst. Aan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gaat vaak een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vooraf. Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd; Vaak voor de duur van een bepaalde periode, Ook mogelijk voor de duur van een           bepaald project; duur van een vervanging (bijvoorbeeld bij ziekte of zwangerschap) of voor de duur van een seizoen. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt vanzelf (van rechtswege) als de     bepaalde tijd is verstreken. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag enkele keren worden verlengd. Let hierbij op de regels beschreven in BW7: artikel 668a. Sinds 1 januari 2020 is in de WAB een aangepaste ketenbepaling van kracht, hiervoor geldt o.a. dat een werknemer een vast contract krijgt na 3 tijdelijke contracten. Min-max contract Een min-max contract is een arbeidsovereenkomst waarbij een minimaal en ook een maximaal aantal uren per week, maand of jaar wordt afgesproken dat de werknemer wordt opgeroepen. In de Cao kraamzorg zijn hieraan restricties verbonden, zie artikel 4.2 lid 3. Nulurencontract In de cao Kraamzorg 2018-2019 is afgesproken dat nulurencontracten in principe niet afgesloten worden met werknemers, uitzonderingen daargelaten. Zie hiervoor artikel 4.2 lid 2.   Individuele arbeidsovereenkomsten Voorbeelden van arbeidsovereenkomsten zijn te vinden op de ledensite van Bo. In een arbeidsovereenkomst dienen in ieder geval de volgende gegevens opgenomen te worden: Naam, adres, woonplaats en geboortedatum van de medewerker; Naam, adres en vestigingsplaats van de werkgever; De functie van de medewerker en/of de aard van de werkzaamheden; De plaats waar het werk wordt verricht; De datum van indiensttreding; De aard van het dienstverband (arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd); De duur van de arbeidsovereenkomst bij een dienstverband voor bepaalde tijd; Het aantal arbeidsuren per week of per dag; De werktijden; De hoogte van het salaris en datum periodieke verhoging; De termijn van uitbetaling; Het aantal vakantiedagen; Lengte van eventuele proeftijd; De opzegtermijn (de duur of de wijze van berekening); De datum en plaats van opmaken van de arbeidsovereenkomst; De handtekening van zowel de werkgever als de medewerker. Verwijzing naar de Cao, de ondernemingsovereenkomst het pensioenreglement, het ondernemingsreglement en eventueel de personeelsgids.   Proeftijd Per januari 2015 zijn de regels omtrent proeftijd in de Wet Werk en Zekerheid verandert. Bij het aangaan van een contract voor onbepaalde tijd kan een proeftijd worden overeengekomen van maximaal twee maanden (proeftijd is altijd gelijk voor werkgever en werknemer). Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor ten hoogste 6 maanden kan vanaf 2015 geen proeftijd overeengekomen worden. Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van langer dan 6 maanden kan een proeftijd worden overeengekomen van: - 1 maand, indien de arbeidsovereenkomst korter dan 2 jaar duurt - 2 maanden, indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor 2 jaar of langer.   Beëindiging van de arbeidsovereenkomst De arbeidsovereenkomst kan op een aantal manieren eindigen: einde van rechtswege; Er is sprake van een beëindiging van rechtswege, als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd afloopt (bijvoorbeeld als een jaarcontract voorbij is). De werkgever kan er dan voor kiezen de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. De arbeidsovereenkomst eindigt automatisch. U dient dit wel schriftelijk aan te kondigen c.q. te bevestigen aan de medewerker; er geldt een wettelijke aanzegtermijn voor de contracten voor bepaalde tijd. Meer hierover heeft u kunnen lezen in paragraaf 2.17. wederzijds goedvinden; Bij ontslag met wederzijds goedvinden gaan u en uw werknemer in onderling overleg uit elkaar. Daarbij hoeft u als werkgever geen toestemming aan het UWV of de kantonrechter te vragen om de werknemer te mogen ontslaan. De belangrijkste kenmerken van dit ontslag zijn: u of uw werknemer stelt voor om het dienstverband te beëindigen. U en uw werknemer zijn het met elkaar eens over het ontslag. U bent het samen ook eens over de financiële afhandeling van het ontslag, bijvoorbeeld over de hoogte van de ontslagvergoeding. opzegging; Beëindiging door middel van opzegging is geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Hierbij zijn de opzegverboden van groot belang. Het algemene opzegverbod houdt in dat de werkgever voordat de arbeidsovereenkomst opgezegd kan worden toestemming nodig heeft van het UWV/Kantonrechter. Onmiddellijke beëindiging kan tijdens de proeftijd of wegens een dringende reden einde in proeftijd; Tijdens de proeftijd kunnen beide partijen het contract onmiddellijk verbreken ontslag op staande voet; De wet beschrijft verschillende voorbeelden voor ontslag op staande voet. Van belang is dat de reden van opzegging direct aan de wederpartij moet worden medegedeeld. ontbinding; Voor ontslag wegens bedrijfseconomische redenen of langdurige arbeidsongeschiktheid kunt u terecht bij het UWV. Voor ontslag wegens persoonlijke redenen of een verstoorde arbeidsverhouding: Kantonrechter Ook staat in de Wet Werk en Zekerheid een transitievergoeding: Werknemers die een dienstverband van twee jaar of langer hebben en uit dienst gaan hebben recht op een transitievergoeding. De transitievergoeding kan gebruikt worden voor scholing om over te stappen naar een andere baan of en ander beroep.  


Arbobeleid

Arbobeleid   Een organisatie is verantwoordelijk om de Arbeidsomstandighedenwet, ook wel Arbowet genoemd, uit te voeren. Dit betekent dat arbobeleid opgesteld dient te worden op basis van een aantal verplichtingen die in de wet zijn opgenomen.   Uitgangspunt van de wet is dat de werkgever zorgt voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en voert daartoe een beleid dat is gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden. Het Arbobesluit en de Arboregeling zijn de uitwerking van de Arbowet en daarin staan de verplichte regels voor werkgevers en werknemers: het opstellen en uitvoeren van een arbeidsomstandighedenbeleid; het geven van voorlichting aan werknemers; het melden en registreren van arbeidsongevallen en beroepsziekten; het opstellen en uitvoeren van een Risico Inventarisatie & Evaluatie en plan van aanpak.   Arbodienstverlening Volgens de Arbowet kunt u zelf bepalen hoe u zich deskundig laat begeleiden bij het opstellen en uitvoeren van uw arbo- en verzuimbeleid. U kunt kiezen voor een contract met een gecertificeerde arbodienst of arbodeskundige, de zogenaamde vangnetregeling, of voor een maatwerkregeling. Bij een maatwerkregeling bepaalt u zelf hoe en met wie u – intern en extern – de preventie en begeleiding van ziekteverzuim regelt. De verplichte aansluiting bij een arbodienst vervalt daarmee. (U kunt kiezen voor een maatwerkregeling wanneer u het hierover eens bent met uw werknemers; OR/PVT). Wel moet u contractuele afspraken hebben met tenminste één gecertificeerde bedrijfsarts en moet u zich aan de wettelijke richtlijnen voor preventie en verzuim blijven houden. Voor de verzuimbegeleiding en arbeidsgezondheidskundigonderzoek (PAGO) bent u verplicht een arbobeleid te voeren dat zoveel mogelijk gericht is op optimale arbeidsomstandigheden.   Bij zowel de maatwerk- als de vangnetregeling moet u zich altijd laten ondersteunen bij: toetsing van de Risico-Inventarisatie en –Evaluatie (RI&E) inclusief het plan van aanpak; ziekteverzuimbegeleiding; periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO); aanstellingkeuringen.   Let op de veranderingen in de Arbowet per 1 juli 2017 Per 1 juli 2017 zijn er een paar veranderingen opgetreden in het contract tussen u als werkgever en de arbodienstverlener. Het contract moet aan een aantal minimale eisen moeten voldoen. Zo moeten werknemers de mogelijkheid krijgen om de bedrijfsarts preventief (dus voordat er sprake is van verzuim) en op eigen initiatief te consulteren. Daarnaast krijgen werknemers recht om een second opinion te laten verrichten door een andere bedrijfsarts.   Alle contracten die worden afgesloten op of na 1 juli 2017 moeten direct voldoen aan de wettelijke vereisten. Als bestaande contracten met de arbodienstverlener niet aan de wettelijke vereisten voldoen, krijgt de werkgever één jaar de tijd (dus tot 1 juli 2018) om dit aan te passen. Dit kan door een addendum toe te voegen aan het huidige contract of door een nieuw contract af te sluiten.   Preventiemedewerker Een preventiemedewerker ondersteunt u bij de dagelijkse veiligheid en gezondheid en arbeidsomstandigheden binnen een bedrijf. Hij of zij moet dus kennis hebben van de risico’s binnen het bedrijf. In veel organisaties zal de reeds bestaande Arbo coördinator de rol vervullen van de preventiemedewerker. U bent verplicht een preventiemedewerker aan te stellen. Heeft u maximaal 25 werknemers in dienst dan mag u als werkgever zelf de preventiemedewerker zijn. Als het niet mogelijk is om iemand binnen uw bedrijf als preventiemedewerker aan te stellen dan kunt u zich geheel of gedeeltelijk laten ondersteunen door een externe Arbo deskundige. In de RI&E moet u aangeven hoeveel preventiemedewerkers er nodig zijn en welke taken ze moeten uitvoeren. De preventiemedewerker heeft drie taken: het (mede) opstellen en uitvoeren van de RI&E; het adviseren en nauw samenwerken met de OR/PVT over te nemen maatregelen voor een goed arbeidsomstandighedenbeleid; het (mede) uitvoeren van de maatregel bedoelt onder punt 2.   Ook voor de preventiemedewerker zijn er veranderingen opgetreden in de nieuwe wetgeving per 1 juli 2017 de werkgever heeft de instemming nodig van de OR/PVT bij zowel de keuze van de persoon van de preventiemedewerker als de positionering van de preventiemedewerker in de organisatie; de preventiemedewerker krijgt ook als taak om te adviseren aan en samen te werken met de bedrijfsarts en de andere arbodienstverleners.   Vertrouwenspersoon Seksuele intimidatie, agressie en geweld roepen verlegenheid op, vernedering en verwarring. Dat belemmert het werk. Een vertrouwenspersoon biedt uitkomst bij twijfels, en kan de weg wijzen naar oplossingen.   Voorlichting U bent als werkgever verplicht om uw werknemers goed voor te lichten over het werk dat zij uitvoeren. En over de daaraan verbonden veiligheids- en gezondheidsrisico’s. De medewerker is van zijn/haar kant verplicht hieraan mee te werken. U dient de werknemer ook te wijzen op maatregelen om risico’s te voorkomen of te beperken en over de wijze waarop deskundige bijstand in de onderneming is geregeld.   Bij sprake van tillen, dan geeft u voorlichting over: de gevaren van verkeerd tillen; de wijze waarop getild moet worden; de beschikbare hulpmiddelen.   U moet kunnen aantonen dat voorlichting en instructie heeft plaatsgevonden. Registreer daarom wie welke voorlichting of instructie heeft ontvangen.   Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) Alle werkgevers dienen een RI&E op te stellen. Hierin staat welke risico’s er binnen de organisatie zijn ten aanzien van de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voortvloeiend uit deze inventarisatie moet een Plan van Aanpak worden opgesteld met daarin de maatregelen die genomen zullen worden om de risico’s aan te pakken. Na het uitvoeren van de RI&E en het opstellen van het Plan van Aanpak moet u de RI&E voorleggen aan uw arbodienst of een zelfstandig gevestigd gecertificeerde Arbo deskundige. Zij beoordelen en toetsen of de ingevulde RI&E compleet, actueel en betrouwbaar is. Let op! Onder bepaalde voorwaarden, indien uw bedrijf maximaal 25 werknemers heeft en u maakt gebruik van de goedgekeurde BrancheRI&E (ZorgRI&E), hoeft uw RI&E niet getoetst te worden. U dient in dit geval dan gebruik te maken voor de speciaal voor de thuiszorg ontwikkelde ZorgRI&E. Zie hiervoor de website www.zorgrie.nl. Deze RI&E is ook toegankelijk voor kraamzorgorganisaties. Ook wanneer alle werknemers van een werkgever bij elkaar minder dan 40 uur per week werken, wordt de RI&E niet getoetst. Arbocatalogus VVT ook voor kraamzorg Voor de sector VVT is een specifieke digitale Arbocatalogus opgesteld. Ook de kraamzorg is hierin vertegenwoordigt. De Arbocatalogus VVT is een verdere uitwerking van de Arbowet en geeft u een overzicht van de belangrijkste arbeidsrisico's met daarbij gezonde en veilige oplossingen. Kijkt u op www.arbocatalogusvvt.nl. De Arbocatalogus VVT is opgesteld in opdracht van Stichting Arbeidsmarkt- en Opleidingsbeleid VVT waarin de voorlopers van Bo, BTN en ActiZ bestuurszetels hebben. Voor de kraamzorg zijn specifieke instrumenten en hulpmiddelen ontwikkeld die u kunnen ondersteunen bij het uitvoeren van arbobeleid, zoals de Arbocheck Kraamzorg en de Kraamradar. De website www.arboportaal.nl van het ministerie van Sociale Zaken is tevens een zeer informatieve website. Zo vindt u er onder andere een samenvatting van de wijzigingen van de Arbowet. In de Arbocatalogus VVT vindt u informatie over de volgende arbeidsrisico’s en Arbo thema’s: psychosociale arbeidsbelasting; ongewenst gedrag; psychosociale arbeidsbelasting; werkdruk; fysieke belasting; gevaarlijke stoffen; Cytostatica; gevaarlijke stoffen; anders dan cytostatica; biologische agentia; bedrijfshulpverlening; zwangerschap en arbeid.   Niet al deze thema’s zijn van belang voor het werken in de kraamzorg. Daarom heeft Bo Geboortezorg een webpagina aangemaakt met daarop verschillende tools die werkgever en werknemer samen kunnen toepassen ter stimulering van de duurzame inzetbaarheid. De webpagina vindt u hier.   Daarnaast treft u hierachter factsheets aan van de voor de kraamzorg belangrijkste onderwerpen. De factsheets kunt u tevens terugvinden in de ArbocatalogusVVT.nl.


ArbocalogusVVT

Arbocatalogus VVT   De Arbocatalogus is opgesteld door alle werkgevers- en werknemersorganisaties die in de branche actief zijn. En is bedoeld voor alle werkgevers en werknemers in de branche VVT: verpleeg- en verzorgingshuiszorg, thuiszorg, jeugdgezondheid- en kraamzorg.   Arbo-wet De Arbo-wet beschrijft doelvoorschriften, grenswaarden en procesnormen. Deze geven het wettelijke beschermingsniveau aan waaraan de arbeidsomstandigheden moeten voldoen. Waar mogelijk zijn de doelvoorschriften voorzien van gezondheidskundige – of veiligheidskundige (grens)waarden. De manier waarop dat doel bereikt wordt, staat niet in de wet. De Arbocatalogus helpt daarbij. In een Arbocatalogus staan de verschillende methoden en oplossingen beschreven die werkgevers en werknemers samen hebben afgesproken om te voldoen aan de doelvoorschriften die de overheid stelt. Bijvoorbeeld maatregelen die aan een veilig en gezond werkklimaat hebben bijgedragen, normen uit (wetenschappelijke) onderzoeken, goede praktijken, NEN-normen, brancherichtlijnen, convenanten, leidraden of huidige Arbobeleidsregels.   RI&E en de ArbocatalogusVVT Elke werkgever moet een Risico Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) hebben. In een RI&E staan welke risico’s er zijn voor de veiligheid en gezondheid binnen de eigen organisatie. Naast de risico’s legt een werkgever in een Plan van Aanpak bij de RI&E ook vast welke maatregelen hij gaat nemen. In de Arbocatalogus staat voor een aantal belangrijke risico’s in de VVT branche informatie om de situatie in uw organisatie nog verder in kaart te brengen. Ook kunt u per onderwerp beoordelen of uw organisatie het goed doet en kunt u richtlijnen per arbeidsrisico inzien.   Kijkt u hier voor meer informatie over de branche RI&E!   Recentelijk zijn de instrumenten voor fysieke belasting aangepast in de Arbocatalogus.   App TilThermometer Met de TilThermometer kunnen problemen rond fysieke belasting bij cliëntgebonden handelingen in kaart gebracht worden. De TilThermometer is nu ook als App beschikbaar. De App is vooral handig voor ErgoCoaches en teammanagers die snel een overzicht willen krijgen van de stand van zaken.   Arbochecks in nieuwe vorm Een arbocheck helpt organisaties en zorgverleners om de woon- en zorgsituatie van hun cliënten bij de aanvang van de zorg te checken op werkomstandigheden, en om een eerste stap te maken bij het oplossen van geconstateerde knelpunten. De Arbocheck 2.0 is een basisformulier dat door de zorgverlener verder kan worden aangevuld.   De Arbocheck 2.0 bestaat uit drie Arbochecks, waaronder de arbocheck kraamzorg, die afhankelijk van het werkveld op maat kunnen worden ingezet.   KraamRadar Kraamzorg Specifiek voor de kraamzorg is de KraamRadar ontwikkeld waarmee de fysieke belasting bij het verlenen van kraamzorg in beeld kan worden gebracht. Ook zijn vijf educatieve filmpjes gemaakt waarin een goede werkhouding tijdens de kraamzorg in beeld is gebracht.


Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Autoriteit Consument en Markt (ACM) www.acm.nl   Per 1 april 2013 is het ACM van start gegaan. De ACM is een samenvoeging van drie toezichthouders: Onafhankelijke Post en Telecommunicatie (de OPTA), de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en de Consumentenautoriteit. De kwaliteit van het toezicht moet door middel van deze fusie verbeterd worden. De ACM stelt regels op voor onder andere de zorgmarkt; met deze regels moet de betaalbaarheid, kwaliteit en beschikbaarheid van producten en diensten gegarandeerd worden.   De ACM, ziet erop toe dat bedrijven op de vrije markt met elkaar concurreren. Concurrenten mogen bijvoorbeeld geen afspraken maken over prijzen. Doen ze dat toch dan worden die organisaties aangepakt. Waar nog geen volledige vrije markt is, zoals in de sectoren energie en vervoer, spant de ACM zich zo veel mogelijk in om die vrije markt te bereiken. De ACM schept dan de randvoorwaarden. Dit wordt reguleren genoemd. Al deze inzet is gericht op voordeel voor de consument.   Toezicht op misbruik economische machtsposities Sommige bedrijven zijn groter dan andere. Ze blijven de concurrentie voor omdat ze een uitstekend product maken. Dat is gezonde concurrentie en daar is niets mis mee. De ACM kan optreden als een bedrijf dat op een markt dominant is naar middelen grijpt om zijn positie te versterken. Het dominante bedrijf dwingt bijvoorbeeld een wederverkoper om alleen producten van dat bedrijf te verkopen. Kan daardoor de concurrent zijn producten niet afzetten? Dan kan er sprake zijn van misbruik van een dominante positie. De consument heeft dan bijvoorbeeld minder te kiezen of betaalt te veel. De ACM probeert door haar toezicht die gevolgen voor de consument te voorkomen.   Als grote bedrijven of instellingen willen fuseren, dan onderzoekt de ACM de gevolgen voor de concurrentie. Als deze nadelig zijn, dan stellen zij voorwaarden aan de fusie of verbieden deze helemaal. Daarnaast kunnen in specifieke markten extra regels opgelegd worden op om de concurrentie te stimuleren.     Kartels Ook bedrijven die zich niet aan de Mededingingswet houden worden aangepakt. Afspraken gemaakt tussen concurrenten over prijzen of klanten is bijvoorbeeld verboden. Bedrijven die dat toch doen vormen een kartel. De ACM ziet erop toe dat bedrijven de onderlinge concurrentie niet verstoren. Als de ACM vindt dat de overtreding bewezen is, kan zij een boete opleggen.     Klacht indienen Bedrijven kunnen bij de ACM terecht met hun signalen over andere bedrijven die zich niet aan de regels houden. Bijvoorbeeld omdat zij afspraken maken over prijzen. De ACM onderzoekt deze klachten van consumenten en bedrijven om de onderliggende oorzaak aan te kunnen pakken.     Voorkomen, verduidelijken en beëindigen Als bedrijven zich niet aan de regels houden, heeft het ACM een aantal middelen tot haar beschikking om ze hier toe te dwingen. Als een bedrijf een wettelijke norm overtreedt, dan kan ze dit bedrijf een bindende aanwijzing geven. Om een overtreding te beëindigen of voortzetting van een overtreding te voorkomen, kan het ACM bedrijven een last onder dwangsom opleggen. Als alternatief kan een bedrijf een toezegging doen. In zo’n toezeggingsbesluit staan voorwaarden waaraan het betrokken bedrijf belooft te voldoen om verdere handhaving door ACM te voorkomen. De inzet van deze middelen worden op de website vermeld.     Waarschuwen en beboeten Het ACM kan publiekelijk waarschuwen voor bedrijven die de consumentenregels overtreden. Daarmee wil zij voorkomen dat meer consumenten gedupeerd worden. Zo nodig worden overtredingen bestraft met een boete. Dit kan zowel een boete voor het bedrijf zijn, als voor betrokken personen. De boetehoogte hangt af van de ernst en de duur van de overtreding en specifieke omstandigheden in die zaak. Uiteindelijk gaat het erom dat de boete in verhouding staat tot de overtreding, en dat deze voldoende afschrikwekkend is. Niet alleen voor de overtreder zelf, maar ook voor andere bedrijven. Daarom worden de boetes bekend gemaakt via de website van het ACM.   ACM in de zorg Binnen de zorg controleert de ACM of zorginstellingen en – ondernemingen niet te groot worden als ze fuseren of worden overgenomen. De gevolgen worden bekeken en er kunnen eventuele verdere voorwaarden worden gesteld of de fusie kan worden verboden. Daarnaast doet de ACM regelmatig onderzoek naar de werking van de zorgmarkt.


Babybalance

Babybalance   Babybalance heeft in 2014-2015 samen met Zilveren Kruis Achmea een pilot uitgevoerd, waarin gezinnen, die verzekerd zijn bij Zilveren Kruis, toegang kregen tot voorlichtings- en instructiefilmpjes tegen inlevering van 4,5 uur fysieke kraamzorg. Het NIVEL heeft, gefinancierd door ZonMw, onderzoek gedaan naar de pilot.   Uit het onderzoek kwam naar voren dat de filmpjes van Babybalance wel gewaardeerd worden, maar dat er nagenoeg geen bereidheid is om daarvoor uren fysieke kraamzorg in te leveren. Verder is geconstateerd dat er nog weinig landelijke richtlijnen zijn, waaraan kraamzorg en dus de informatie in deze filmpjes moet voldoen. Ook is geconcludeerd dat de video’s kwalitatief niet altijd even goed zijn.   Het onderzoek leverde twee adviezen op: realiseer de beloofde meertaligheid van de website, bevorder het ontwikkelen van landelijke richtlijnen voor de kraamzorg en zorg dat de filmpjes van Babybalance daar aan voldoen.   Hoewel uit het onderzoek blijkt dat Babybalance niet voldoende gewaardeerd wordt en weinig is afgenomen, heeft Babybalance besloten verder te gaan met het ontwikkelen en aanbieden van voorlichtingsmateriaal. Het Zorginstituut heeft aangegeven het product als verzekerde zorg te zien. Babybalance heeft dit jaar met zorgverzekeraars besproken om Babybalance te vergoeden als onderdeel van ‘voorlichting en instructie’ cf. het LIP. Sommige zorgverzekeraars nemen dit op in hun zorgaanbod in 2017.   De prestatie Kraamzorg wordt in het besluit zorgverzekering omschreven als fysiek te leveren kraamzorg. Volgens Bo is het niet de bedoeling dat deze digitale variant fysieke kraamzorg vervangt. Bo heeft dit aangegeven in haar gesprekken met zorgverzekeraars en geconstateerd dat zij geen eenduidig standpunt hebben. Babybalance zelf geeft overigens aan dat het ontwikkeld is als ondersteunend instrument dat ingezet kan worden in combinatie met fysieke kraamzorg en niet als vervanging voor fysieke kraamzorg. Echter kan het zo zijn wanneer een cliënt volledige kraamzorg ontvangt én Babybalance wenst af te nemen zij hiervoor 4,5 uur fysieke kraamzorg dient in te leveren.   Bo ziet overigens ook voordelen in het gebruik van Babybalance bij kraamgezinnen, bijvoorbeeld bij kwetsbare gezinnen. Gezinnen die minimale zorg afnemen, kunnen via eHealth meer toegang krijgen tot de kennis van kraamverzorgende.   Advies van Bo aan haar leden is om kritisch te beoordelen of en hoe het aanbod van Babybalance de voorlichting en instructie die de kraamzorg levert kan ondersteunen. Bij gebruik van het materiaal van Babybalance, zullen de intakers en kraamverzorgenden geïnstrueerd moeten zijn hoe zij dit kunnen gebruiken en moet de cliënt hierover juist geïnformeerd worden.


Basiskwaliteitseisen kraamzorg

Basiskwaliteitseisen kraamzorg   In 1999 zijn basiskwaliteitseisen voor de kraamzorg geformuleerd in goed overleg met het ministerie van VWS. Basiskwaliteitseisen kraamzorg


Beroepscompetentieprofiel

Beroepscompetentieprofiel kraamverzorgende   De vele ontwikkelingen in de Geboortezorg hebben invloed op de rol van de kraamverzorgende in het proces rondom bevallingen en de samenwerking met verloskundigen en andere betrokken zorgprofessionals. Het Beroepscompetentieprofiel (BCP) voor de kraamverzorgende doet recht aan wat er nu en met het oog op de toekomst wordt gevraagd van kraamverzorgenden.   Het BCP Kraamverzorgende is opgesteld door het Kenniscentrum Kraamzorg (KCKZ). Het is tot stand gekomen in samenwerking met en vastgesteld door het bestuur A+O VVT, het samenwerkingsverband van werkgevers- en werknemersorganisaties in de VVT. Ook Bo Geboortezorg is betrokken geweest bij het opstellen van het BCP en onderschrijft het vastgestelde resultaat.   Het BCP bevat veel gedetailleerdere informatie die specifiek is voor de kraamzorgbranche. Beroepscompetentieprofielen zijn in de WEB (Wet Educatie Beroepsonderwijs) aangewezen als basisdocumenten voor de kwalificatiedossiers waarop het mbo-onderwijs is gebaseerd.   Klik hier voor het BCP.  


Beroepsgeheim

Beroepsgeheim   Het medisch beroepsgeheim dient ter bescherming van de individuele patiënt en van de samenleving als geheel. Het geheim is een waarborg voor vrije toegang tot de gezondheidszorg. Als burgers niet kunnen vertrouwen op het beroepsgeheim, bestaat het risico dat zij zorg gaan mijden. Dat is niet alleen onwenselijk voor de patiënt, maar kan ook onwenselijk zijn voor de maatschappij, bijvoorbeeld als hierdoor besmettelijke ziekten niet tijdig onderkend en behandeld worden.   Het medisch beroepsgeheim roept nog al eens vragen op, daarom is er een factsheet medisch beroepsgeheim opgesteld door het ministerie van VWS.


Brochure Ondernemend Werknemerschap VVT

Brochure Ondernemend Werknemerschap VVT   Ruimte voor medewerkers met ondernemerszin, die in dienstverband willen werken. Dat is de kern van Ondernemend Werknemerschap (OW) in de VVT. Over OW is nu een aansprekende digitale brochure Eigen baas, ons bedrijf beschikbaar voor zorgorganisaties en medewerkers.   Wilt u, samen met medewerkers, (verder) aan de slag met OW? Dan biedt de digitale brochure achtergronden, praktische informatie, tips en inspirerende interviews. Daarbij is gebruik gemaakt van de pilotervaringen bij De ZorgZaak en de ZZG zorggroep.   De brochure begint met een algemeen deel over het waarom, het wat en de waarde van OW. Daarna volgen specifieke onderdelen voor werknemers en organisaties. Werknemers kunnen met de brochure inschatten of OW bij hen past, wat OW hen kan opleveren, zien voorbeelden van hoe het werk verandert, en lezen over de alternatieve arbeidsvoorwaardenaanpak bij cao-ontheffing. Werkgevers vinden er een toets om te proeven of hun organisatie toe is aan OW, krijgen een beeld van concrete kansen die OW biedt, en worden geïnformeerd over de mogelijkheden van en de voorwaarden voor cao-ontheffing bij OW.   Wij bevelen u van harte aan om de brochure breed in uw organisatie –bij management, OR, medewerkers, ondersteunde diensten- onder de aandacht te brengen, te bespreken en te gebruiken.


Cao Kraamzorg

Cao Kraamzorg Klik hier om door te gaan naar de website cao Kraamzorg. Cao Kraamzorg 2018-2019: Factsheet voor werknemers ORT Rekentool  


College Perinatale Zorg (CPZ)

  College Perinatale Zorg (CPZ) Kennisnetgeboortezorg   Het College Perinatale Zorg (CPZ) is een landelijk college waarin alle veldpartijen die te maken hebben met de perinatale zorg in Nederland samenwerken, ook Bo Geboortezorg neemt hieraan deel. Het CPZ is door 7 partijen opgericht: Bo Geboortezorg (kraamzorgorganisaties), KNOV (verloskundigen), NVOG (gynaecologen), NVK (Kinderartsen), NVZ (Ziekenhuizen), Patiëntenfederatie Nederland en Zorgverzekeraars Nederland. Het College Perinatale Zorg is opgericht om vanuit het advies van de Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte: Een Goed Begin (januari 2010) richting te geven aan de beste geboortezorg voor moeder en kind. CPZ is op 1 september 2011 van start gegaan en heeft als opdracht de kwaliteit van de geboortezorg te verbeteren en de babysterfte en morbiditeit in Nederland te verminderen.   Kern van het advies ‘ Een Goed Begin’ is dat de kwaliteit van de geboortezorg moet verbeteren door een hechtere samenwerking en betere communicatie tussen alle betrokken professionals onderling, maar ook met de zwangere en haar naasten. Het CPZ doet dit door openbare kennisuitwisseling op alle niveaus te stimuleren en waar nodig te faciliteren en organiseren. Regionaal samenwerken ondersteunen, best practices op sporen, informatie hierover verspreiden en beschikbaar maken.   Agenda CPZ   De gezamenlijke geboortezorgpartijen staan voor integrale zorg en preventie rond zwangerschap en geboorte. Samen werken we aan de best mogelijke start voor elke zwangere, elk kind en elk gezin.   In de strategische Agenda voor de Geboortezorg 2018-2022: ‘Integrale geboortezorg: Samen bevalt beter!’ zijn drie ambities benoemd: In 2022 ontvangt elke zwangere, baby & gezin ‘state of the art’ integrale geboortezorg en bieden wij hen bewezen de best mogelijke start. In 2022 is de cliënt een gelijkwaardige partner en beslist zij samen met de zorgprofessional. In 2022 is de geboortezorg hét voorbeeld van een doelmatig, solidair en goed functionerend netwerk.   Deze ambities zijn omgezet in concrete thema’s waar CPZ aan werkt: Implementatie van de Zorgstandaard Integrale Geboortezorg, verbeteren van kwaliteit, bevorderen van ‘samen beslissen’, professionaliseren van de integrale geboortezorgorganisatie inclusief passende bekostiging, verbinden met het sociaal domein om de kwetsbare zwangere te ondersteunen, verbeteren digitale gegevensuitwisseling.   Het CPZ houdt zich daarnaast bezig met: Programma Transitie Geboortezorg Preventieagenda van de Geboortezorg Agenda Cliënt als gelijkwaardige partner.


Contractering zorgverzekeraars

Contractering zorgverzekeraars   Kraamzorg wordt vergoed door de zorgverzekering. Aanbieders kunnen een contract afsluiten met de zorgverzekeraar zodat zij de geleverde zorg kunnen declareren. Ook zonder contract kan een aanbieder de zorg declareren, echter dit is dan meestal tegen een lager tarief dan met contract.   Contracteerbeleid zorgverzekeraar Zorgverzekeraars zijn niet verplicht met iedere zorgaanbieder een contract te sluiten. De zorgverzekeraar stelt volume- en kwaliteitseisen aan de zorgverlening en op basis daarvan mag hij een selectie maken van zorgaanbieders die voor zijn verzekerden de zorg mogen leveren. De zorgverzekeraars kopen meestal per kalenderjaar de zorg in bij kraamzorgorganisaties. Door sommige zorgverzekeraars worden ook 2-jarige contracten aangeboden, zij kopen één keer in de twee jaar hun zorg in.   Proces Kraamzorg In haar contracteerbeleid geeft een zorgverzekeraar nadere invulling aan haar Strategisch Zorginkoopbeleid Kraamzorg. Het inkoopbeleid dient op 1 april gepubliceerd te zijn voor het jaar daaropvolgend.   De zorgverzekeraar geeft helder en transparant aan voor welk type contract kraamzorgaanbieders in aanmerking kunnen komen en welke eisen de zorgverzekeraar hieraan stelt. Deze eisen staan vermeld op de website van de betreffende zorgverzekeraar. Zorgaanbieders moeten aantoonbaar laten zien dat ze aan de eisen voldoen.   Voorbeelden van selectiecriteria kunnen zijn: Registratie van kraamverzorgende in het register van het KCKZ Hanteren van het Landelijke Indicatie Protocol (LIP) Deelname aan een VSV Garanderen van continuïteit bereikbaarheid van de organisatie Bo houdt het zorginkoopbeleid van de zorgverzekeraars voor u in de gaten. Bo gaat jaarlijks voor de publicatie van het beleid met alle zorgverzekeraars in gesprek. Tijdens dit gesprek voorziet Bo de zorgverzekeraars van informatie over de ontwikkelingen in de sector en probeert de zorgverzekeraars te sturen in hun keuzes voor het inkoopbeleid.   Ook vat Bo het inkoopbeleid voor u samen. Uiteraard blijft het doorlopen van het inkoopproces de individuele verantwoordelijkheid van de zorgaanbieders zelf. In hoofdstuk 4.2 leest u meer over gegevensuitwisseling en declaratieverkeer in de Zvw.   Onderhandelen Bo mag niet onderhandelen met zorgverzekeraars over contracten of tarieven. Dit moet een individuele kraamzorgorganisatie met de individuele zorgverzekeraar doen.


De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK)

De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) www.nvk.nl   De NVK zet zich in voor de gezondheidszorg voor kinderen en de belangen van kinderartsen. Dit doen zij middels pleitbezorging en preventie. Het doel is om te verbinden én te ondersteunen.


Financiering kraamzorg

Financiering kraamzorg   Kraamzorg wordt gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet (ZVW). Alle geïndiceerde kraamzorg is opgenomen in het basispakket van de ZVW. De cliënt betaalt voor kraamzorg een eigen bijdrage per uur. Deze wordt door sommige aanvullende verzekeringen vergoed.   Op drie manieren kan een aanbieder de zorg gefinancierd krijgen: Zorg in natura: Zorg in natura is zorg die door de zorgaanbieder is verleend en via de verzekeraar wordt betaald. De kosten worden door de verzekeraar rechtstreeks aan de zorgaanbieder (bij een contractuele relatie) vergoed. De eigen bijdrage moet bij sommige zorgverzekeraars door de zorgaanbieder bij de cliënt worden geïnd, waarna de cliënt (mits zij de juiste aanvullende verzekering heeft) de rekening bij de zorgverzekeraar kan declareren. Restitutiepolis: Bij een pure restitutiepolis is een verzekerde volledig vrij om zijn eigen zorgverlener te kiezen. Indien de zorgverzekeraar geen contract met de zorgaanbieder heeft, zal de verzekerde de zorgnota moeten voorschieten. Bij een pure restitutiepolis betaalt de zorgverzekeraar het zogeheten 'wettelijke tarief' of een 'marktconforme vergoeding' terug aan de verzekerde. Particulier: Een cliënt die zonder indicatie, of die extra kraamzorg wilt inkopen of die niet verzekerd is, kan alleen op particuliere basis zorg afnemen. De cliënt betaalt de zorg dan geheel zelf. De aanbieder stelt zelf de tarieven van deze particuliere zorg vast. In hoofdstuk 4.1 wordt omschreven hoe zorgverzekeraars contracten aangaan met kraamzorgaanbieders. Bij de vergoeding van kraamzorg moeten zorgverzekeraars rekening houden met de beleidsregels van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).   Beleidsregel kraamzorg In de beleidsregel kraamzorg worden door de NZa de prestatiebeschrijvingen(zie tabel 1) en de tariefstructuur voor kraamzorg vastgelegd. Hiermee bepalen zij dus welke zorg vergoed wordt en tegen welke maximum prijs.   Prestatie Beschrijving Kraamzorg Kraamzorg omvat zorg zoals kraamverzorgenden die plegen te bieden aan moeder en kind in verband met een bevalling, gedurende ten hoogste tien dagen, te rekenen vanaf de dag van bevalling.   Inschrijving Onder inschrijving worden de volgende handelingen verstaan: ·         het verwerken van de (telefonische) aanmelding; ·         het toesturen van informatiemateriaal en het inschrijfformulier; ·         op basis van het ingevulde inschrijfformulier verrichten van diverse administratieve handelingen; ·         het plannen van het op termijn in te zetten personeel.   Intake bij de cliënt thuis   Of   telefonische intake Het verkennen en verduidelijken van de hulpvraag van de cliënt, het inventariseren van de zorgbehoefte en het met inachtneming van de volgende criteria (noodzakelijkheidsprincipe, aanvullend op eigen mogelijkheden, ontbreken van deskundigheid, preventie, bijsturing) objectief bepalen welke hulp naar inhoud en omvang en kwaliteit nodig is op grond waarvan verantwoorde beslissingen omtrent inzet en financiering van zorg mogelijk zijn, mede ter effectuering van de zorgaanspraken.   Partusassistentie Het voorbereiden op, het assisteren bij de bevalling en het verzorgen van moeder en kind direct na de bevalling. De partusassistentie wordt verricht onder leiding van een verloskundige of huisarts. Locatie: thuis, in een vervangende thuissituatie of in een poliklinische situatie.   Onderlinge dienstverlening De zorgaanbieder heeft de mogelijkheid om (onderdelen van) de prestaties ‘Per uur partusassistentie’, ‘Per uur kraamzorg’ en de nevenprestatie ‘Per partusassistentie’ met inachtneming van de geldende maximumtarieven, via onderlinge dienstverlening in rekening te brengen aan een andere zorgaanbieder. De betreffende prestaties kunnen enkel via onderlinge dienstverlening in rekening worden gebracht indien tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar van de patiënt een overeenkomst is gesloten, waarin de inhoud van de te leveren zorg, de hoogte van het in rekening te brengen tarief en de inhoud van de te leveren zorg die via onderlinge dienstverlening bij een derde zorgaanbieder wordt gecontracteerd zijn vastgelegd.   Tabel 1 Begrippen beleidsregel kraamzorg   Prestaties Onder de beleidsregel kraamzorg vallen 6 prestaties: Per uur kraamzorg; Per uur partusassistentie; Per inschrijving; Per intake; of bij de cliënt thuis; of telefonisch; Per partusassistentie;   Daarnaast is er de mogelijkheid tot onderlinge dienstverlening.   Tarief De NZa stelt jaarlijks maximale tarieven vast per prestatie. Voor de tariefopbouw kijkt de NZa naar het normatief bepaalde praktijkkostenbestanddeel van kraamzorg. Dit bestaat uit onder meer: personeelskosten, huisvestingskosten, vervoerskosten, opleidingskosten, afschrijvingskosten, rentekosten en kostenvergoeding voor gederfd rendement eigen vermogen. Dit bedrag wordt gedeeld door een normatief bepaald aantal uren kraamzorg (inclusief uren partusassistentie) per jaar. De uitkomst is het maximum basis uurtarief. De neventarieven zijn vermenigvuldigd met een vastgestelde factor. Jaarlijks indexeert de NZa de tarieven. De NZa doet regelmatig kostenonderzoeken om te onderzoeken of de geldende maximumtarieven nog steeds passend zijn. Het meest recente kostenonderzoek vond plaats in 2020, klik hier voor het verantwoordingsdocument.  


Functiebeschrijving en waardering FWG

Functiebeschrijving en waardering FWG   Functiebeschrijving Een functiebeschrijving heeft tot doel werkzaamheden die binnen een organisatie worden verricht en eventueel de te bereiken resultaten vast te leggen en inzichtelijk te maken. De functiebeschrijving beschrijft de functie en niet de medewerker als persoon.   Daarnaast kunnen functiebeschrijvingen ook op andere wijzen een rol vervullen bij onderdelen van het sociaal beleid, zoals bij: functioneringsgesprekken; functiebeoordelingen; werving en selectie; organisatieveranderingen; functiedifferentiatie; opleidingsbeleid; loopbaanplanning.   Functiewaardering Functiewaardering is het volgens een bepaalde methodiek wegen en vervolgens naar zwaarte rangschikken van functies. Het doel hiervan is een rechtvaardige loonsverdeling binnen de sector. Na het wegen van een functie wordt deze ingedeeld in een zogenaamde functiegroep. De beloning die aan de functiegroepen gekoppeld is, staat vastgesteld in de Cao Kraamzorg. In deze Cao wordt verwezen naar het functiewaarderingssysteem speciaal voor de kraamzorg; FWG Geboortezorg.   De eerste voorwaarde om een functie te kunnen 'wegen' is dat er een vastgestelde functiebeschrijving bestaat. Dit houdt in dat de functiebeschrijving in overleg tussen leidinggevende en werknemer is opgesteld en een helder en volledig beeld geeft van de functie op een bepaald moment. Vervolgens dienen de functies ingedeeld te worden. Hierbij wordt gekeken naar de specifieke functie, niet naar het beroep of naar de persoon die de functie uitoefent. Aan de hand hiervan ontstaat een zogenaamd functiehuis. Dit functiehuis zal onderhouden moeten worden, daar ontwikkelingen binnen en buiten de organisatie leiden tot wijzigingen in functies, oude functies verdwijnen en er kunnen nieuwe functies bijkomen.     Zelf aan de slag met functiebeschrijvingen Zorg voor een beschrijving van de organisatiestructuur op basis van de bedrijfsvoering. Bepaal of groepsfunctiebeschrijvingen voor teams het uitgangspunt zullen zijn of dat tevens sprake is voor solo-functiebeschrijvingen voor medewerkers of een combinatie hiervan. Beschrijven van de functies: het toetsen van de huidige functie; opstellen basisbeschrijving (groepsfuncties en solofuncties); afstemmen beschrijving met manager en individuele medewerkers; medewerkers indelen in beschreven functies; voorleggen aan medewerkers en feedback vragen; vaststellen (schriftelijk meedelen). 4. Na de functiebeschrijvingen kunnen functie-indelingen worden gemaakt aan hand van de FWG-salarisschalen en de ijkfuncties (ijkfuncties kunt u vinden in het systeem FWG Geboortezorg).   NB: Het FWG-traject treft alle medewerkers in de organisatie. Om het traject voorspoedig te laten verlopen, is het informeren van alle betrokkenen essentieel.   Indien u nog niet bent aangesloten bij FWG Geboortezorg kunt u hier uw lidmaatschap aanvragen. U ontvangt dan ook aanvullende informatie over FWG Geboortezorg.   Vragen aan FWG kunt u stellen via het Servicepunt: 030-2669 400


Functioneringsgesprek

Functioneringsgesprek   Het is gebruikelijk jaarlijks of iedere twee jaar een functioneringsgesprek met uw werknemers te voeren. Een functioneringsgesprek is een dialoog waarin het wederzijds functioneren van de werknemer en diens leidinggevende besproken wordt.   Doelen voor deze bespreking kunnen zijn: prestatieverbetering bijsturing stimulering ontwikkeling Eventueel aansluitende bespreekpunten kunnen zaken zijn zoals het herkennen en aanpakken van problemen op de werkvloer.   Een functioneringsgesprek bepaalt voor een belangrijk deel het verloop van de loopbaan van de werknemer. Er worden tenslotte maatregelen bedacht en stappen ondernomen om het functioneren te verbeteren.   Een functioneringsgesprek bestaat veelal uit de volgende onderdelen: terugblik op de vorige functioneringsgesprekken, welke afspraken zijn wel en niet nagekomen en waarom? visie van de werknemer, de werknemer geeft haar of zijn persoonlijke visie op het eigen functioneren en dit wordt besproken met de leidinggevende. visie van de werkgever en bespreken van verbeterpunten en doelen voor het komende jaar. op papier zetten van het besprokene en maken van afspraken.   Heeft u werknemers in dienst op basis van een nulurencontract? In de cao Kraamzorg staat dat de werkgever de werknemer met een nulurencontract ieder jaar in de gelegenheid stelt om aan te geven of de werknemer een arbeidsovereenkomst wil met een gemiddeld aantal uren per week. Dit is een onderwerp dat u natuurlijk kunt bespreken in het functioneringsgesprek. Een ander onderwerp van bespreking kan zijn eventuele scholing van de werknemer. In de cao staat eveneens dat u als werkgever ieder jaar een scholingsbudget vaststelt.   In het kader van de duurzame inzetbaarheid kan naast het functioneringsgesprek een inzetbaarheidsgesprek met de medewerker worden gevoerd. Een inzetbaarheidsgesprek gaat over kansen, uitdagingen, eisen in het werk en behoeftes van werknemers. Het gaat dus, in tegenstelling tot een functioneringsgesprek, niet om beoordelen. Hier vindt u een handleiding voor het voeren van een inzetbaarheidsgesprek.


Geboortezorg aan asielzoekers

Geboortezorg aan asielzoekers   De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) de afgelopen jaren bezig geweest met een meerjarig onderzoek naar de geboortezorg in Nederland. In verschillende deelonderzoeken toetste de inspectie het gehele proces van de voorlichting in de preconceptieperiode, de zorg tijdens zwangerschap, bevalling en kraambed tot en met de overdracht van de pasgeborene aan het consultatiebureau. Hiermee zag de inspectie erop toe dat het veld de aanbevelingen van de Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte, opgesteld naar aanleiding van de relatief hoge kindsterfte in de zwangerschap en rond de geboorte (perinatale sterfte) in Nederland, omzet in concrete doelen en daden.   De inspectie onderzocht ook of er sprake is van verantwoorde geboortezorg aan asielzoekers. Daarom deed zij onderzoek bij de netwerken voor geboortezorg aan asielzoekers, rond 9 van de 33 opvanglocaties in Nederland. De conclusie van dit onderzoek is dat de inzet van professionele tolken en de overdracht bij overplaatsing beter moeten voor verantwoorde geboortezorg aan asielzoekers. De inspectie besteedt apart aandacht aan de geboortezorg aan asielzoekers, omdat asielzoekers een verhoogd risico hebben op zwangerschapscomplicaties en op sterfte van moeder en kind rond de geboorte (maternale en perinatale sterfte). Rondom elke zwangere asielzoeker moet een netwerk zijn, waarin alle partijen samenwerken om de risico’s die specifiek zijn voor de geboortezorg aan asielzoekers te minimaliseren.   Medewerkers van Bo Geboortezorg zijn na uitkomst van het rapport van de inspectie in februari 2014 door de ‘werkgroep geboortezorg aan asielzoeker’ betrokken bij de behandeling van het rapport in de werkgroep. In deze werkgroep namen deel; KNOV, NVOG, Gezondheidscentrum Asielzoeker, COA (centraal orgaan opvang asielzoekers) en MCA (Menzis COA Administratie, zij voert de Regeling Zorg Asielzoekers uit in opdracht van het COA). In het rapport is nadrukkelijk door de inspectie aangegeven dat de kraamzorgorganisaties betrokken dienen te worden. Kraamzorgorganisaties die kraamzorg leveren aan asielzoekers en waar verbeteringen nodig zijn volgens de inspectie, hebben zelf bericht/een aanwijzing gehad van de inspectie.   In de werkgroep is de ketenrichtlijn geboortezorg asielzoekers herzien naar aanleiding van de opmerkingen van de Inspectie. Daarnaast zijn er twee documenten ontwikkeld voor alle organisaties betrokken bij de geboortezorg aan asielzoekers: laaggeletterdheid en casemanagement. Deze documenten zijn per brief overhandigd aan de inspectie. Als reactie hierop heeft de inspectie laten weten tevreden te zijn met de ontwikkeling van deze documenten.   In 2016 is de ketenrichtlijn geëvalueerd. De belangrijkste aanpassingen in de ketenrichtlijn zijn: Indeling van de ketenrichtlijn geboortezorg: De ketenrichtlijn bestaat al een aantal jaar en is in die tijd een aantal keer aangepast. Die aanpassingen zijn (helaas) ook terecht gekomen in de eerste kolom die ‘reguliere werkwijze’ heette. Het gevolg is dat er nu in de eerste kolom geen reguliere werkwijze meer staat. De nieuwe indeling dekt de lading: dit is wat de brancheorganisaties afgesproken hebben als werkwijze voor zwangere asielzoeksters. (zie: schema hoofdtaken en processtappen) Afspraken met de organisaties SIRIZ en FIOM over consult en advies bij onbedoelde/ongewenste zwangerschappen. (zie: fase 1) De richtlijnen voor vervoer zijn explicieter gemaakt. (zie fase: 10, 14 en bijlage 4) Afspraken over MRSA testen. (zie: fase 11 en bijlage 6) Afspraken over waterpokken en rode hond. (zie: bijlage 5) Aanpassingen in de Coördinatie zwangere asielzoekers. (zie: bijlage 2) Klik hier voor de aangepaste stukken: Brief aan igz aangepaste ketenrichtlijn Ketenrichtlijn geboortezorg asielzoeksters december 2016 Bijlage 1 bij ketenrichtlijn geboortezorg asielzoekers zwangerschapsverklaring voor coa en gca Bijlage 2 bij ketenrichtlijn geboortezorg coordinatie zwangere asielzoeksters Bijlage 3 bij ketenrichtlijn geboortezorg asielzoekers uitwerking laaggeletterdheid Bijlage 4 bij ketenrichtlijn geboortezorg vervoer asielzoekers Bijlage 5 bij ketenrichtlijn geboortezorg afspraken ketenpartners over waterpokken en rode hond bij asielzoekers Bijlage 6 bij ketenrichtlijn geboortezorg qa mrsa screening


Gegevensoverdracht van kraamzorg en verloskunde naar jeugdgezondheidszorg

Gegevensoverdracht van kraamzorg en verloskunde naar jeugdgezondheidszorg   Naar aanleiding van de invoering van het Advies van de stuurgroep Zwangerschap en Geboorte heeft de Inspectie (IGZ) verschillende onderzoeken gedaan. Waaronder deelonderzoek 8: Samenwerking tussen de kraamzorg en de jeugdgezondheidszorg (JGZ). Hierover heeft u destijds een persoonlijke rapportage ontvangen. De inspectie heeft in dit deelonderzoek de samenwerking tussen kraamzorg en JGZ getoetst op de volgende elementen; signaleren van problemen, actie om adequate ondersteuning te realiseren en goede overdracht zodat informatie niet verloren gaat. Mogelijkheden voor geboortezorg nog onvolledig benut Verbetering nodig in de samenwerking tussen kraamzorg en JGZ voor verantwoorde geboortezorg In de sector is afgesproken dat alle partijen gezamenlijk een plan opstellen om kraamzorg- en JGZ- organisaties te ondersteunen bij de uitvoering van verbeterplannen van de IGZ. Door de sector is het landelijke ondersteuningsplan samenwerking kraamzorg en Jeugdgezondheidszorg opgesteld een aangeboden aan de Inspectie. Def Landelijk Ondersteuningsplan Samenwerking KZ-JGZ Begeleidende Brief aan Inspectie 28 juli 2014 bij Landelijk Ondersteuningsplan Zoals u in het plan leest, zijn er niet alleen regionale taken die door de kraamzorgorganisaties opgepakt dienen te worden, maar zijn er ook zaken die veldpartijen gezamenlijk op een landelijk niveau oppakken.   In het najaar van 2014 de werkgroep Landelijk Ondersteuningsplan gestart met daarin vertegenwoordiging vanuit ActiZ Jeugd, Bo Geboortezorg, KNOV, NBvK en NCJ. De afgelopen jaren heeft de werkgroep zich gebogen over de overdracht van gegevens van verloskundig zorgverlener en kraamzorg naar jeugdgezondheidszorg. Door de werkgroep is een aantal documenten opgesteld die het veld ondersteunen bij het verbeteren en optimaliseren van de samenwerking en overdracht.   Factsheet overdracht verloskundige en kraamzorg naar jeugdgezondheidszorg Bijlage 1 Voorbeeld samenwerkingsovereenkomst Bijlage 2 Gegevensset overdracht verloskundig zorgverleners en kraamzorg naar jeugdgezondheidzorg Regio’s zijn, naar aanleiding van het IGZ-rapport, voortvarend aan de slag gegaan om samenwerking en overdracht te verbeteren. Landelijk zijn verschillende samenwerkingsovereenkomsten en overdrachtsformulieren opgesteld. De door de werkgroep ontwikkelde documenten zijn bedoeld als voorbeeld en vergelijkingsmateriaal voor de in de regio’s opgestelde documenten.   De landelijk opgestelde documenten zijn voorgelegd aan landelijke partijen en worden onderschreven door ActiZ Jeugd, Bo Geboortezorg, KNOV, NBvK en NCJ, Patiëntenfederatie Nederland, Kind&Ziekenhuis, NVOG, NVDA, GGD GHOR Nederland, AJN en V&VN Verpleegkundige Maatschappij en Gezondheid – vakgroep Jeugdverpleegkundigen.   De werkgroep richt zich in de komende periode op een implementatieplan voor de betreffende documenten. Daarnaast evalueren zij de stukken binnen een jaar. De werkgroep ontvangt dan ook graag uw feedback uit de praktijk. Uw reactie kunt u sturen naar m.vanheerbeek@bogeboortezorg.nl.


Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg

Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg   De WKKGZ verplicht zorgorganisaties per 1 januari 2017 tot aansluiting bij een erkende geschillensinstantie. Deze geschilleninstantie moet zijn erkend door de minister. Bo Geboortezorg heeft in samenwerking met de Consumentenbond en Stichting  LOC Zeggenschap in Zorg en ActiZ, de Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg (VVG) opgericht.De nieuwe commissie is ondergebracht bij de Stichting Geschillencommissie Consumentenzaken (SGC) in Den Haag.     De nieuwe Geschillencommissie VVG gaat ook regionaal werken, waardoor cliënten en zorgorganisaties “dicht bij huis” door de geschillencommissie gehoord kunnen worden. De commissie beschikt over 12 regionale zitting locaties: Alkmaar, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Breda, Middelburg/Goes, Eindhoven, Maastricht, Arnhem, Hengelo/Enschede, Zwolle en Groningen. Tegelijk blijft de Geschillencommissie landelijk georganiseerd wat de rechtseenheid en de rechtsgelijkheid ten goede komt. Daarnaast kan een landelijke commissie vanwege schaalvoordelen goedkoper werken.   Procedure en reglement De procedure die wordt doorlopen bij het indienen van een klacht bestaat uit 4 stappen: Indienen van een klacht. Uw cliënt kan digitaal een klachtenformulier invullen. De geschillencommissie bekijkt dan of zij de klacht kunnen behandelen. Kijk hier welke klachten de commissie wel en niet kan behandelen. Mening van de ander partij vragen. U ontvangt afschriften van de klacht en andere stukken en krijgt een maand de tijd om hierop te reageren. Een kopie van uw reactie wordt aan de klager doorgestuurd. Indien nodig wordt een deskundige ingeschakeld en een rapport opgesteld. Zitting. Tijdens de zitting beoordeelt een onpartijdige commissie de klacht. U kunt mondeling uw mening toelichten. Uitspraak. Ongeveer een maand na de zitting ontvangt u de uitspraak van de commissie. De uitspraak geldt voor beide partijen en moet altijd worden nagekomen. U kunt hiertegen niet in hoger beroep gaan. Klik hier voor het reglement van de commissie VVG. Meer informatie vindt u ook op de website van de commissie VVG.   Kosten Bo heeft een samenwerkingsovereenkomst opgesteld waardoor alle leden van Bo Geboortezorg zich bij de geschillencommissie VVG kunnen registreren en op die manier aan hun wettelijk verplichting voldoe. Omdat de aansluiting bij een geschillencommissie een wettelijke verplichting is voor al onze leden betaald Bo de registratiekosten. De aansluiting bij de geschillencommissie is daarmee onderdeel van uw lidmaatschap.   Bij de behandeling van een klacht zal de geschillencommissie kosten in rekening brengen. De hoogte van deze kosten kunt u hier nalezen. De kosten die door de geschillencommissie in rekening worden gebracht na de behandeling van een klacht betaalt uw organisatie zelf.   Registratie Alle leden van Bo hebben via de geschillencommissie informatie ontvangen over hoe u zich kunt registreren. Geen bericht van de SGC gehad? Stuur dan een mail naar registrant@degeschillencommissie.nl, dan wordt de mailing toegestuurd.


Geschilleninstantie zorgcontractering

Geschilleninstantie zorgcontractering   Geschilleninstantie helpt geschillen rond zorgcontractering oplossen Individuele zorgverleners, zorgorganisaties en zorgverzekeraars met een conflict of meningsverschil rond zorgcontractering kunnen terecht bij de Onafhankelijke Geschilleninstantie voor Geschillenoplossing en -beslechting Zorgcontractering. Dat is sneller, gemakkelijker en goedkoper dan de rechter inschakelen.   U kunt bij de Geschilleninstantie terecht met precontractuele en contractuele geschillen. Er is een korte doorlooptijd, met behoud van een zorgvuldig proces en goede kwaliteit van de inhoudelijke kanten. Er zijn 3 vormen: Mediation Bindend advies Arbitrage Mediation is de relatief lichtste vorm. Ze is het snelst en het goedkoopst. Bindend advies is een zwaardere vorm en arbitrage is de laatste, nog zwaardere optie. Lees hierover verderop meer. Wilt u een geschil bij de Geschilleninstantie aanmelden, dan kiest u met een keuzehulp de geschiktste bemiddelingsvorm. Elke vorm van geschillenoplossing en -beslechting is op vrijwillige basis. Beide partijen moeten hun conflict of meningsverschil bij de Geschilleninstantie Zorgcontractering willen voorleggen. Er kunnen ook meerdere partijen zijn die gezamenlijk hetzelfde geschil laten behandelen bij de Geschilleninstantie. U kunt bij de Geschilleninstantie terecht voor geschillen over de contractering van zorg op grond van de Zorgverzekeringswet of daarmee gelijktijdig gecontracteerde aanvullende zorg.   Uitvoering Het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) voert alle procedures voor mediation, bindend advies en arbitrage uit in het kader van de Onafhankelijke Geschilleninstantie Zorgcontractering. Klik hier voor een overzicht van de deelnemende partijen.   Mediation Beide partijen willen samen met een mediator het conflict oplossen. Zij bepalen samen met de mediator hoe zij het conflict willen oplossen en sluiten daarvoor een overeenkomst. Mislukt de mediation of lijkt mediation op voorhand niet geschikt, dan kunnen de twee partijen kiezen voor een bindend advies, arbitrage of de overheidsrechter.   Bindend advies Een onafhankelijke, bindend adviseur stelt vast wat de rechten van beide partijen zijn rond het conflict en brengt advies uit. Beide partijen moeten zich daaraan houden. Komt een van beiden dat advies niet na, dan kan de andere partij de nakoming daarvan via de rechter alsnog afdwingen. Bindend advies vervangt de procedure voor de overheidsrechter.   Arbitrage Rechtspraak door een onafhankelijke arbiter, benoemd door het NAI. Een arbitraal vonnis is bindend en levert direct een uitspraak op. Die kan zonder tussenkomst van een rechter afgedwongen worden. Komt een van beide partijen het vonnis niet na, dan kan hij daar alsnog toe gedwongen worden via maatregelen die bij de arbitrage horen. Arbitrage vervangt de procedure voor de overheidsrechter.   Kosten van geschillenoplossing en -beslechting Bij mediation delen beide partijen de kosten, ook wanneer het tot een schikking of tussentijdse staking van deze vorm van geschillenoplossing komt. Bij het bindend advies en de arbitrage zijn de kosten voor rekening van de partij die in het ongelijk is gesteld.   Een mediator, bindend adviseur en arbiter kosten 150 euro per uur, exclusief btw. Een secretaris kost 80 euro per uur, exclusief btw. De bindend adviseur en secretaris besteden beiden elk maximaal 20 uur aan deze vorm van geschilbeslechting. De bindend adviseur kan zelf het bindend advies schrijven maar als er een secretaris benoemd wordt, betaalt de bindend adviseur deze van zijn honorarium. In overleg met de partijen kan dat anders zijn. Bij het bindend advies kan er 20 uur bij komen, als er een tegenvordering en voorwaardelijke tegenvordering worden gedaan. Voor arbitrage geldt geen maximumaantal uren.   Om de kosten voor kleine eerstelijns zorgaanbieders te beperken, heeft Zorgverzekeraars Nederland een aparte regeling gemaakt voor tegemoetkoming in de kosten.    Mediation – procedure in het kort Als de tegenpartij hiermee instemt, vraagt u mediation zorgcontractering aan. Dat doet u met een speciaal aanvraagformulier. Er is 1 mediator. Die wordt gekozen via een mediatorlijst van het NAI. Na de benoeming is er telefonisch overleg over de procedure en ondertekenen de mediator en de beide partijen binnen 3 werkdagen een mediationovereenkomst zorgcontractering. Daarin staan de afgesproken procedureregels. Maximaal 2 weken na de benoeming is er een oplossing. Die staat in de vaststellingsovereenkomst. Zo niet, dan bespreken de partijen of zij een bindend advies, arbitrage of de gang naar de overheidsrechter kiezen. De procedure is in het Nederlands. Communicatie tussen de partijen, het NAI en de mediator gaat via e-mail. Het NAI anonimiseert de vaststellingsovereenkomst en de partijen die de Geschilleninstantie hebben opgericht mogen deze (laten) publiceren, mits alle gegevens die iets zeggen over de identiteit van de partijen zijn verwijderd. Bijbehorende documenten: Mediationovereenkomst-zorgcontractering Appendix-1-behorend-bij-modelovereenkomst-mediation Appendix-2-kosten-mediator-geschillenoplossing-zorgcontractering Toelichting-mediation-zorgcontractering     Bindend advies – procedure in het kort Als de tegenpartij hiermee instemt, sluit u een bindendadviesovereenkomst met de andere partij. Daarna vraagt u bij het NAI een bindend advies zorgcontractering aan. Dat doet u met een speciaal aanvraagformulier. Er is 1 bindend adviseur, die wordt benoemd door het NAI. Na de benoeming is er op korte termijn een telefonische regiezitting tussen de partijen en de bindend adviseur. In de zogenoemde procesorde staan de afgesproken procedureregels voor het indienen van de eis, het reageren en eventueel een zittingsdatum. De snelheid waarmee de uitspraak tot stand komt, is mede afhankelijk van hoe snel partijen hun stukken insturen. Zo snel mogelijk na de zitting, geeft de bindend adviseur zijn bindend advies. De procedure is in het Nederlands. Communicatie tussen de partijen, het NAI en de bindend adviseur gaat via e-mail. Het NAI anonimiseert de uitspraak en de partijen die de Geschilleninstantie hebben opgericht mogen deze (laten) publiceren, mits alle gegevens die iets zeggen over de identiteit van de partijen zijn verwijderd. Beide partijen betalen zelf de kosten van de eigen juridische bijstand. De kosten voor de geschilbeslechting, die van de bindend adviseur en de administratiekosten van het NAI, staan daar los van. Bijbehorende documenten: Bindendadviesovereenkomst-zorgcontractering Appendix-1-behorend-bij-modelovereenkomst-bindend-advies Appendix-2-kosten-bindend-adviseur-geschillenbeslechting-zorgcontractering Toelichting-bindend-advies-zorgcontractering   Arbitrage in het kort – procedure in het kort Als de tegenpartij hiermee instemt, sluit u een arbitrageovereenkomst met de andere partij. Daarna vraagt u bij het NAI een arbitrage zorgcontractering aan. Dat doet u met een speciaal aanvraagformulier. Het NAI vraagt de tegenpartij om een kort antwoord op het aangemelde geschil. Beide partijen kiezen samen 1 arbiter, via een lijst van het NAI. Dat is meestal een jurist, maar kan ook bijvoorbeeld een medicus zijn. Na de benoeming van de arbiter is er op korte termijn een telefonische regiezitting tussen de partijen en de arbiter. De arbiter stelt hierna de procesorde vast. Als de zaak eenvoudig is en voor een kortlopende arbitrageprocedure gekozen is, kan er relatief snel na de benoeming van de arbiter een eindvonnis komen. Meestal, en ook afhankelijk van de wensen van partijen, kan het bijvoorbeeld bij een principiële zaak tussen grote partijen die een complete procedure willen, veel langer duren. De procedure is in het Nederlands. Communicatie tussen partijen, NAI en de arbiter gaat via e-mail. Het NAI anonimiseert het arbitraal vonnis (uitspraak) en de partijen die de Geschilleninstantie hebben opgericht, mogen deze (laten) publiceren, mits alle gegevens die iets zeggen over de identiteit van de partijen zijn verwijderd. Beide partijen betalen zelf de kosten van de eigen juridische bijstand. De kosten voor de geschilbeslechting, die van de bindend adviseur en de administratiekosten van het NAI, staan daar los van. Bijbehorende documenten: Arbitrageovereenkomst-zorgcontractering Appendix-1-behorend-bij-de-modelovereenkomst-arbitrage Appendix-2-kosten-arbiter-geschillenbeslechting-zorgcontractering Toelichting-arbitrage-zorgcontractering


Handelsregisterwet

Handelsregisterwet   Inleiding. De uitbreiding van het Handelsregister (juli 2008) komt voort uit het stelsel van basisregistraties dat de Nederlandse overheid heeft opgezets. Het Handelsregister is de basisregistratie voor ondernemingen en rechtspersonen.   Het doel van deze wet Deze wet is onderdeel van het opzetten van een stelsel van basisregistraties. Door de basisregisters aan elkaar te koppelen, beschikt de overheid altijd over betrouwbare en actuele gegevens, en hoeven burgers en bedrijven niet steeds hun basisgegevens te verstrekken.   In het Handelsregister vindt u van Nederlandse ondernemingen en rechtspersonen onder andere de volgende informatie: de naam en het adres; indien aanwezig: telefoonnummer, faxnummer, e-mailadres, internetadres, correspondentieadres; de gegevens van vestigingen; functionarissen en tekenbevoegden; de curator, bij een faillissement; het aantal medewerkers, inclusief eigenaar en meewerkende familieleden.   Volgens de Handelsregisterwet moet de KvK deze gegevens in het Handelregister registreren, met de volgende doelen: Ondernemers en particulieren kunnen met het Handelsregister achterhalen met wie zij zaken doen, bijvoorbeeld (potentiële) klanten en leveranciers. Dit bevordert de rechtszekerheid in het handelsverkeer. Algemene gegevens over de samenstelling van ondernemingen en rechtspersonen verstrekken. Overheden kunnen gegevens over bedrijven en rechtspersonen uit het Handelsregister halen, en hoeven ze niet meer bij de ondernemer na te vragen. Dat vermindert de administratieve lasten.   Inhoud en toepassing van de wet Ondernemingen en rechtspersonen moeten zicht inschrijven in de Kamer van Koophandel. Na inschrijving moeten zij hun handelsregisternummer (= het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel) vermelden op briefpapier, orders, facturen en offertes en andere schriftelijke uitingen, tenzij het gaat om stukken die uitgaan van een rechtspersoon aan wie geen onderneming toebehoort. BV's en NV's moeten als extra verplichting hun volledige naam en statutaire zetel op de website vermelden.   Wetsvoorstel Wijziging Handelsregisterwet 2007 Op 25 juni 2019 heeft de Eerste kamer het wetsvoorstel tot Wijziging van de Handelsregisterwet 2007 aangenomen. Dit naar aanleiding van de aanbevelingen die voortkomen uit een evaluatie van de Handelsregisterwet over de periode 2008-2011.   In het wetsvoorstel is opgenomen dat informatiesystemen van bestuursorganen worden gekoppeld aan het handelsregister, teneinde informatie over rechtspersonen over en weer uit te kunnen wisselen en actueel te houden. Daarnaast worden de regels voor de ontbinding van rechtspersonen aangescherpt. Tevens voorziet het voorstel in verscherping van de doelbinding van rechtspersonen, naast andere maatregelen waarmee fraude in het handelsverkeer voorkomen en besteden wordt.   Op 1 januari 2020 treedt de Wet tot wijziging van de Handelregisterwet grotendeels in werking, met als uitzondering het wettelijk kader voor het registreren van civielrechtelijke bestuursverboden. Dit onderdeel van de wet treedt later in werking. Gevolgen van deze wet voor van Bo Geboortezorg Controleer of uw onderneming voldoet aan de eisen die de Handelsregisterwet stelt. Overtreedt u een verplichting uit deze wet, dan kan dat worden aangemerkt als een economisch delict en riskeert u een geldboete of zelfs gevangenisstraf.   Voor inschrijvingen, doorgeven van wijzigingen en deponeren van bescheiden kunt u terecht bij alle Kamers van koophandel.   Bij het werken met zelfstandig zorgverleners is het verstandig ook een bewijs van inschrijving Kamer van koophandel te vragen. Hiermee kunt u toetsen of de zelfstandig zorgverleners heeft voldaan aan de inschrijvingsplicht van deze wet.   Steeds meer dienstverlening van de KvK loopt digitaal via www.ondernemersplein.nl. Deze website is een samenwerkingsverband van o.a. de Belastingdienst, CBS, RDW en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.    


Inhoudelijk kader partusassistentie

Inhoudelijk kader partusassistentie Partusassistentie maakt onderdeel uit van kraamzorg en is van groot belang om bevallingen thuis onder leiding van een verloskundige op een verantwoorde manier te realiseren. Daarom is in 2006 een inhoudelijk kader ontwikkelt voor de partusassistentie bij de (normale) thuisbevalling dat aansluit bij het Landelijk Indicatieprotocol Kraamzorg en dat gebaseerd is op professionele normen en inzichten uit het veld. Uitgangspunten die hierbij zijn gehanteerd zijn de Basiskwaliteitseisen voor de kraamzorg. Download hier het inhoudelijk kader partusassistentie   Kwaliteitskader vervroegde partusbegeleiding kraam Daarnaast is een kader voor vervroegde partusbegeleiding ontwikkeld. Het doel van dit kwaliteitskader is verloskundigen, kraamverzorgenden en kraamzorgorganisaties te ondersteunen indien zij kraamverzorgenden vroegtijdig gaan inzetten bij de baring. Inzetten van de partusondersteuning door de kraamverzorgende volgens de voorwaarden van dit kwaliteitskader moet beide beroepsgroepen het vertrouwen geven dat dit goed uitgevoerd wordt. Hiermee wordt gestreefd de kwaliteit van zorg bij een dergelijke vroegtijdige inzet te waarborgen. Download hier het kwaliteitskader vervroegde partusbegeleiding kraam   En de bijlage competenties vroegtijdige ondersteuning


Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd

Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd www.igj.nl   De IGJ is verantwoordelijk voor het toezicht op de zorg die aan de Nederlandse bevolking als geheel wordt gegeven. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de geleverde zorg en jeugdhulp door zorginstellingen, individuele beroepsbeoefenaren en fabrikanten van genees- en hulpmiddelen op basis van de Gezondheidswet. Daarnaast geeft het via het Landelijk Meldpunt Zorg informatie en advies aan burgers over de kwaliteit van de zorg en de jeugdhulp.   Toezicht De IGJ houdt toezicht op de veiligheid van de zorg. De inspectie kent diverse – elkaar beïnvloedende – vormen van toezicht. Met risicotoezicht zet de inspectie haar toezichtcapaciteit proactief en gericht in op de grootste risico’s in de zorg. Verder wordt bij het risicotoezicht ook invulling gegeven aan vormen van thematoezicht. Onder incidententoezicht valt het toezicht waarmee de inspectie reageert op meldingen van burgers, zorgaanbieders, fabrikanten, gemeenten en andere instanties. Toezicht op risico’s IGJ verzamelt proactief en periodiek interne en externe informatie om zicht te krijgen op risico’s in een bepaalde zorgsector of zorgbreed. Al die informatie gebruiken zij om te beoordelen welke zorgaanbieder of fabrikant ze bezoeken. IGJ gebruikt de data ook voor risicoprofielen. Als er sprake is van (potentieel) risico, treedt de IGJ op. Risicotoezicht is ook het uitvoeren van landelijk toezicht op risicothema’s. Zo besteedt de inspectie in 2019 specifiek aandacht aan onder andere netwerkzorg, ehealth, regeldruk, het samenwerken met gemeenten en goed bestuur Toezicht op incidenten Meldingen over incidenten, misstanden en structurele tekortkomingen zijn een belangrijke bron van informatie voor de inspectie. Ze kunnen een signaal zijn dat ergens een structureel risico is voor onveilige zorg. Iedereen kan een melding doen, maar zorgaanbieders en fabrikanten zijn voor bepaalde incidenten (zoals calamiteiten) verplicht deze te melden bij de inspectie. Deze meldingen komen binnen bij het Meldpunt IGJ. Handhaving Als de inspectie vaststelt dat het niveau van zorgverlening onvoldoende is of dat door zwakke plekken in het zorgproces de kans op vermijdbare schade te groot is, grijpt zij in. De inspectie kiest voor de interventie die past bij de omvang van het risico en ook overige omstandigheden van de specifieke situatie. De voor de inspectie beschikbare interventiemogelijkheden reiken van stimulerende, corrigerende en bestuursrechtelijke interventies tot aan tuchtrechtelijke en strafrechtelijke interventies. In het handhavingskader staan mogelijke maatregelen beschreven.   Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) Het LMZ geeft informatie, advies en ondersteuning aan burgers met een vraag of klacht over de zorg. LMZ boordeelt de informatie die het krijgt op relevantie voor het toezichtproces. De meeste informatie (90%) neemt LMZ op als ‘burgersignaal’ en betrekken ze in het risicotoezicht. Een beperkt deel (10%) van de burgerinformatie zet LMZ door als melding en betrekken ze in het incidententoezicht. Om een beeld te schetsen van het soort vragen en klachten per sector wordt jaarlijks een Klachtbeeld gepubliceerd.   Het Meldpunt Vragen, meldingen en signalen kunnen zorgaanbieders, zorgverleners en fabrikanten doorgeven aan het Meldpunt van de IGJ. Er komen jaarlijks ongeveer 10.000 meldingen binnen. Soms doet de IGJ zelf onderzoek, soms wordt de zorgaanbieder gevraagd dit zelf te doen en een verslag te sturen.


Jaarverantwoording

Jaarverantwoording   Jaarlijks dienen zorgorganisaties zich te verantwoorden over de besteding van de maatschappelijke middelen die de zorgaanbieder heeft ontvangen op basis van de Wet langdurige zorg(Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw).   De wijze van verantwoording kan verschillen. Hieronder lichten wij toe hoe u zich moet verantwoorden. Uitgebreidere informatie vindt u op www.jaarverslagenzorg.nl . U kunt vragen stellen via jaardocumentmv@minvws.nl, of u belt met 070 340 69 00.   Start verantwoordingsproces Als WTZi-toegelaten instelling heeft u van VWS/CIBG een brief met uw DigiMV-code ontvangen. Die moet u eenmalig invoeren (waarbij u ook eHerkenning 2+ nodig heeft), en daarmee start feitelijk de verantwoordingscyclus. Heeft u vorig jaar beperkt verantwoord, dan ontvangt u dit jaar ook zo’n startbrief.   Geen grote veranderingen verslagjaar 2019 Kwaliteitsgegevens worden voortaan gepubliceerd door het Kwaliteitsinstituut conform de vastgestelde afspraken op de transparantiekalender. Zie hiervoor de website van het Zorginstituut en hoofdstuk 5.1 van deze basismap. Sinds 2013 is ook de verantwoording in het kader van de Wnt (Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector) uitgebreid. Heeft u daar vragen over, e-mailt u dan naar normeringtopinkomens@minvws.nl. I.v.m. de Corona crisis is de uiterste aanlevertermijn wel verschoven.   Wel of niet verantwoorden? Om te bepalen of uw organisatie moet verantwoorden via het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording (JMV), is van belang of uw organisatie een WTZi-toelating heeft. Kraamzorgaanbieders zijn vanzelf WTZi-toegelaten maar zijn in de meeste gevallen niet verplicht om zicht via het jaardocument te verantwoorden. Wel adviseert Bo haar leden om zicht te verantwoorden en daarmee te laten zien dat de sector transparant is en zich bewust is van haar  maatschappelijke positie. Op dit moment is er nieuwe wetgeving in ontwikkeling die maakt dat kraamzorgorganisaties in de toekomst wel verplicht zijn om zich via het JMV te verantwoorden.   Vereenvoudigd verantwoorden In bepaalde gevallen geldt een vereenvoudigde verantwoordingsplicht. U hoeft dan minder gegevens aan te leveren.   Wanneer vereenvoudigd verantwoorden? Vereenvoudigd verantwoorden is van toepassing als uw organisatie op 2 achtereenvolgende balansdata voldoet aan 2 van de 3 onderstaande criteria. De criteria gelden voor het totaal van de aangeboden hulp en/of (niet zorg) activiteiten. Ook bij combinatie-instellingen gaat u uit van het totaal. een netto-omzet van minder dan 700.000 euro; gemiddeld minder dan 10 werknemers; de waarde van de activa is niet meer dan 350.000 euro (volgens de balans met toelichting).   Indien u geen gebruik maakt van DigiMV voor de verantwoording dient u uw codes te blokkeren voor DigiMv. Hiervoor moet u contact opnemen met de helpdesk van CIBG (jaardocumentmv@minvws.nl) en doorgeven dat u geen gebruik maakt van het JMV/DigiMV voor de jaarverantwoording.   Jaarverantwoording over 2019 via JMV Heeft u een toelating op grond van de WTZI en wilt u zich verantwoorden? Dan moet de jaarverantwoording over het verslagjaar 2019 op 1 oktober 2020 afgerond zijn. Let wel, een gewoon jaarverslag (ook wel directieverslag genoemd) is misschien ook verplicht voor u. Dat hangt af van de rechtsvorm en de omvang van uw organisatie en stoelt op boek 2 van het BW (art. 360, lid 1 en lid 2): BV's en NV's bijv. hebben een jaarverslagverplichting (art. 391) als ze een omzet hebben van meer dan 4,4 miljoen en 50 of meer werknemers. Als format kunt u het KvK-model gebruiken. Bent u een stichting of een vereniging, of is uw jaaromzet minder dan 4,4 miljoen dan bent u niet jaarverslagplichtig.   Let op: Het deponeren van de jaarrekening en het invullen van DigiMV is wel voor iedereen verplicht. Er staan 4 modeljaarrekeningen (2 care, 2 cure) als handreiking op de site die allemaal een uploadtool in DigiMV hebben. Wilt u geen gebruik maken van het rechtstreeks uploaden, dan kunt u de gegevens handmatig invoeren. Via deze link  kunt u meer informatie vinden.   Governance code In het JMV wordt gevraagd naar de toepassing van de Zorgbrede Governance code[1]. Voor organisaties werkzaam in de kraamzorg is dit een verplichting en dient u een vinkje te zetten bij het antwoord ‘ja’. Let op: U dient naar waarheid te handelen en het is uw eigen verantwoordelijkheid indien u hier ‘ja’ aanvinkt en de Governance code niet geïmplementeerd heeft.   Voor organisaties die werkzaam zijn vanuit een Besloten Vennootschap (BV) vraagt de implementatie van deze code specifieke aandacht. Zie hiervoor paragraaf 1.3. Voor kraamzorgorganisaties geldt dat de meeste zorgverzekeraars de Governance code verplicht stellen om een contract aan te kunnen gaan. Indien u de Governance code niet heeft toegepast in uw organisatie maar deze wel onderschrijft, geven wij u hierbij een voorbeeld wat u kunt opnemen in het JMV bij het onderdeel Governance code. Let op: U dient naar waarheid te handelen en het is uw eigen verantwoordelijkheid indien u onderstaande zinsnede in het JMV opneemt. Bo Geboortezorg kan hier geen verantwoording voor dragen.   “NAAM ORGANISATIE onderschrijft de Governance code, d.d. 1 januari 2014. De reden dat NAAM ORGANISATIE de Governance code niet (geheel) heeft geïmplementeerd, ligt in het feit dat de huidige Governance code zich specifiek richt op stichtingen of verenigingen, terwijl NAAM ORGANISATIE haar organisatie heeft opgezet met particuliere gelden. In de statuten van NAAM ORGANISATIE kan het dus zijn dat het bestuur besluit tot uitkeren van winstaandelen. Daarnaast is gebleken dat de toezichthoudende structuur niet altijd passend is voor NAAM ORGANISATIE.”   Verslag in het kader van de medezeggenschap cliënten Op grond van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen moet er jaarlijks een verslag opgesteld worden over de wijze waarop door de instelling deze wet is toegepast. Dit verslag is verplicht, maar vormvrij. Denkt u bijv. aan hoe de financiële/personele ondersteuning is geregeld, over welke beleidsissues gevraagde/ongevraagde adviezen zijn uitgebracht, waar dat toe geleid heeft. Heeft u geen cliёntenraad dan kunt u misschien aangeven of de medezeggenschap van cliënten op een andere wijze tot uitdrukking komt. Indien u niet via JMV verantwoord dient u dit verslag op te sturen naar IGJ. Indien in 2019  de voorgestelde wetswijzigingen worden aangenomen door de 1e kamer komt deze verplichting te vervallen.   Inleverdatum van verantwoording Alle documenten voor de verantwoording (JMV, jaarrekening , verslag over cliëntmedezeggenschap) dient u voor 1 oktober 2020 bij de betreffende partij ingeleverd te hebben. Op 6 oktober 2020 stuurt het CIBG een lijst met instellingen die niet aan de verantwoordingsverplichting hebben voldaan naar IGZ ten behoeve van de handhaving.   [1] http://www.brancheorganisatieszorg.nl/governancecode


Kenniscentrum Kraamzorg (KCKZ)

Kenniscentrum Kraamzorg (KCKZ) www.kenniscentrumkraamzorg.nl     Op initiatief van BTN, ActiZ en NBvK en met subsidie van het Ministerie van VWS, is het Kenniscentrum Kraamzorg in 2012 opgericht. Het KCKZ bestaat momenteel uit een directeur, een beleidsmedewerker, een secretaris en een management assistente. Het bestuur bestaat uit drie afgevaardigden van Bo Geboortezorg Peter Boudewijn, Mariëlle van de Riet en Rob van Zwieten en Martijn Kranenburg namens de NBvK. Het Kenniscentrum Kraamzorg is er voor én door iedereen in het kraamzorgveld. Dit betekent dat zowel werkgevers- als werknemersorganisaties aan de slag moeten met het Kenniscentrum om samen de kraamzorgsector tot een gelijkwaardige samenwerkingspartner in de geboortezorg te ontwikkelen.   Kwaliteitsregister Om alle partners in het netwerk van de geboortezorg een goed beeld te kunnen geven van de kraamzorgmarkt, heeft het Kenniscentrum Kraamzorg een kwaliteitsregister voor kraamverzorgenden ontwikkeld. Door zich in te schrijven in dit register leveren kraamverzorgenden niet alleen een belangrijke bijdrage aan het inzichtelijk maken van hun sector, ze laten tegelijkertijd zien welke kwaliteiten (scholing en ervaring) ze in huis hebben om de best mogelijke zorg te kunnen garanderen. De registratie biedt toegang tot actuele kennis en onderzoeken. Daarnaast kunnen kraamverzorgenden hun ervaringen delen met collega's en een breed netwerk van kraamzorgprofessionals.   Ontwikkelingen Het Kenniscentrum Kraamzorg speelt ook een grote rol in het ontwikkelen en aanjagen van belangrijke inhoudelijke onderwerpen op het gebied van kraamzorg, denk aan partusassistentie, borstvoeding, levensreddende handelingen of Shaken Baby Syndroom. Het Kenniscentrum zorgt ervoor dat de kwaliteit en continuïteit van deze belangrijke informatie worden gewaarborgd. Het Kenniscentrum Kraamzorg richt zich op zes beleidsterreinen: Kwaliteit Scholing Inhoud, ontwikkeling en kennisoverdracht Ketensamenwerking Onderzoek Innovatie Commissies en werkgroepen Het KCKZ heeft commissies en werkgroepen opgericht die deze zes beleidsterreinen samen met directie en bestuur vormgeven. Het doel hiervan is de beleidsterreinen verder te professionaliseren zodat de kraamzorg zich beter kan profileren in het netwerk van de geboortezorg.


Kernboodschap kraamzorg

Kernboodschap kraamzorg ‘Kraamzorg is noodzakelijke en toegankelijke zorg. Het zorgt voor een veilige start, voor gezondere kinderen en moeders, richt zich op de zelfredzaamheid van ouders en voorkomt dure zorg nu en later’. Dat is de onderbouwde kernboodschap kraamzorg die Bo Geboortezorg samen met de NBvK en KCKZ heeft vastgesteld.   Waarom een kernboodschap? Kraamzorg wel of niet in het basispakket van de zorgverzekering, smeren kraamverzorgenden alleen maar beschuitjes of hebben ze andere taken? Begin dit jaar was er volop discussie in de media en in de geboortezorgsector over de positie van kraamzorg. Dit deed de brancheorganisatie besluiten om heel duidelijk te omschrijven wat kraamzorg doet en tot welke resultaten dit leidt.   Allemaal dezelfde boodschap Om kraamzorg stevig te positioneren in de geboortezorgketen is het noodzakelijk om als kraamzorgaanbieders én medewerkers een duidelijke en eensluidende boodschap af te geven. Niet alleen tijdens overleggen en discussies in de keten, maar ook naar klanten en tijdens informele gesprekken. De kernboodschap is kort en krachtig geformuleerd, zodat deze door iedereen makkelijk te gebruiken is en een goed beeld geeft van de kraamzorgsector.   Onderbouwing De kernboodschap wordt gevormd door vijf onderdelen, die uitgebreid onderbouwd en toegelicht worden door wet- en regelgeving, landelijke standaarden en protocollen, multidisciplinaire richtlijnen of wetenschappelijk onderzoek. Kraamzorg is noodzakelijke en toegankelijke zorg Kraamzorg zorgt voor een veilige start Kraamzorg zorgt voor gezondere kinderen en moeders Kraamzorg richt zich op de zelfredzaamheid van ouders Kraamzorg voorkomt dure zorg nu en later  


Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV)

Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) www.knov.nl   De KNOV is een beroepsvereniging van verloskundigen die haar ruim 3500 (aspirant) leden zowel individueel als collectief ondersteunt en hun deskundigheid als specialist van het fysiologisch geboorteproces doorlopend verbetert voor het welzijn van moeder, kind en hun omgeving. De KNOV stimuleert de professionalisering en kwaliteit van verloskundige zorg.


Kwaliteit Kraamzorg

Kwaliteit Kraamzorg   Visiedocument Verantwoorde Kraamzorg   Het Visiedocument Verantwoorde Kraamzorg 2008 vormt de basis voor het meetproces. Hierin hebben de betrokken partijen vastgelegd wat onder goede kraamzorg wordt verstaan. Het visiedocument is van toepassing op alle kraamzorg die gegeven wordt: thuis, in kraamzorghotels, geboorteklinieken, verlosafdelingen en bij poliklinische bevallingen waarbij kraamzorg aanwezig is. Hij geldt voor alle kraamverzorgenden, onafhankelijk van de organisatie- of contractvorm waarbinnen zij werkzaam zijn. Ook de vraag wie de zorg financiert is niet van belang voor dit document. Cliënten moeten altijd verantwoorde zorg ontvangen.   Kwaliteitsdomeinen In de visie worden zes kwaliteitsdomeinen onderscheiden: cliëntgerichtheid, lichamelijke gezondheid, psychisch welbevinden en veiligheid, de integratie van het kind in het gezin, de zelfredzaamheid van ouders in de verzorging van het kind, de zorg rond borst- en kunstvoeding en tenslotte vroegsignalering van risico’s of problemen bij het opvoeden en opgroeien. Cliëntgerichtheid Kraamzorg is laagdrempelig en toegankelijk en wordt verleend in de directe leefwereld van de cliënt die door de geboorte van een kind ingrijpend verandert. De wensen en behoeften van cliënten zijn richtinggevend voor de inhoud van de zorg. Emotionele veiligheid en integriteit worden bevorderd door de persoonlijke levenssfeer en normen en waarden van cliënten te respecteren en de privacy te garanderen. Cliëntgerichtheid betekent: de kraamzorg komt aan de wensen en behoeften van de cliënt tegemoet, tenzij deze strijdig zijn met professionele opvattingen of niet passen binnen de indicatiestelling. Goede voorlichting over wat van de kraamzorg verwacht kan worden en heldere afspraken zijn in dit verband belangrijk, evenals een regelmatige evaluatie of de zorg voldoet aan de verwachtingen van de cliënt. Cliëntervaringen worden systematisch geëvalueerd. Cliënten worden uitgenodigd vragen, problemen of klachten te uiten. Cliënten worden met respect behandeld ongeacht hun afkomst of leefsituatie. Er wordt rekening gehouden met de etnische en religieuze afkomst van de cliënt en de kraamverzorgende is op de hoogte van en respecteert culturele en religieuze gebruiken rond de geboorte en in de kraamperiode.   Lichamelijke gezondheid, psychisch welbevinden en veiligheid Kraamzorg draagt bij aan het herstel van de moeder en aan een goede start van het kind door het optimaliseren van de lichamelijke gezondheid van moeder en kind en het voorkomen van ziekte en ongelukken. Bij de bevalling is de kraamverzorgende tijdig aanwezig om voorbereidingen te kunnen treffen en de kraamvrouw te begeleiden en ondersteuning te kunnen bieden. Tijdens de bevalling assisteert de kraamverzorgende de verloskundige en reageert adequaat in noodsituaties. De kraamverzorgende heeft aandacht voor het lichamelijke welbevinden en de mobilisatie van de kraamvrouw en draagt zorg voor een goede hygiëne. De kraamverzorgende ondersteunt het psychische welbevinden en de emotionele veiligheid van de gezinsleden. De kraamverzorgende bevordert daartoe de opbouw van een vertrouwensrelatie door haar attitude, kennis en vaardigheden. Zij biedt een luisterend oor en bevordert dat de ouders rust krijgen. Zij spant zich in om te bewerkstelligen dat gezinsleden positief terugkijken op de kraamperiode. De kraamverzorgende voert kritische observaties uit en signaleert risico’s voor de veiligheid en de lichamelijke en psychische gezondheid van moeder en kind. Bij gesignaleerde problemen wordt de zorg aangepast of worden andere zorgverleners geïnformeerd.   Integratie van het kind in het gezin De kraamverzorgende helpt de leden van het gezin zich aan te passen aan de nieuwe situatie en om een nieuw ritme te vinden in de dagelijkse bezigheden. Dit doet de  kraamverzorgende door de dagelijkse activiteiten in het gezin te ondersteunen en andere kinderen bij de zorg voor de pasgeborene te betrekken. De kraamverzorgende bevordert een goede interactie tussen de ouders en het kind door hen alert te maken op de verschillende signalen van het kind.   Zelfredzaamheid ouders in verzorging kind De kraamverzorgende ondersteunt de moeder, de partner en het gezin in hun  verantwoordelijkheid voor de eigen gezondheid en het functioneren van het gezin. Zij streeft ernaar dat de ouders de verzorging van het kind steeds meer overnemen zodat zij hier zelfstandig toe in staat zijn op het moment dat de zorg wordt afgesloten. Door voorlichting en het uitoefenen van een voorbeeldfunctie bereidt de kraamverzorgende de ouders voor op het zelfstandig uitvoeren van deze taak. Ook krijgen ouders voorlichting over hoe zij problemen in de gezondheid van moeder en kind kunnen herkennen en waar ze hulp kunnen vragen als ze deze  nodig hebben. De ouders krijgen voorlichting over preventie en verzorging en krijgen de gelegenheid om vragen te stellen.   Zorg rond de voeding van het kind De kraamverzorgende stimuleert het geven van borstvoeding maar ondersteunt de moeder ongeacht haar keuze van voeden. Het voedingsbeleid wordt bepaald in overleg met de verloskundige. Begeleiding bij borstvoeding gebeurt volgens de vuistregels van de WHO. Ernstig gewichtsverlies wordt tijdig gesignaleerd. Bij kunstvoeding geeft de kraamverzorgende informatie aan de ouders over het bereiden en geven van voeding en voeden op verzoek bij kunstvoeding.   Vroegsignalering van risico’s op problemen bij opvoeden en opgroeien Kraamzorg is één van de schakels in de vroegsignaleringsketen. Doordat de kraamverzorgende tijd doorbrengt in een gezin kan zij risico’s voor problemen in het opvoeden en opgroeien binnen het gezin signaleren. De kraamverzorgende handelt daarbij conform bestaande (landelijke) afspraken.   Randvoorwaarden Om verantwoorde kraamzorg te kunnen leveren moet aan vier randvoorwaarden voldaan zijn. Deze randvoorwaarden betreffen het zorgplan, de kwaliteit van medewerkers en van de organisatie, informatie en communicatie en tenslotte samenwerking met ketenpartners.   Zorgplan Het zorgplan dient verschillende doelen. In de eerste plaats bevat het alle relevante gegevens van en afspraken met de cliënt. Het zorgplan wordt dan ook samen met de cliënt opgesteld. Een tweede doel is de continuïteit van zorg te waarborgen door als communicatiemiddel te dienen tussen de diverse zorgverleners die bij de cliënt betrokken zijn. Tenslotte dient het zorgplan een registratiedoel: geleverde zorg en evaluaties met de cliënt worden geregistreerd evenals de aanpassingen die in overleg met de cliënt of de verloskundige tot stand zijn gekomen. Registraties uit het zorgplan kunnen gebruikt worden om aan te tonen dat verantwoorde kraamzorg is geleverd. De kraamzorg hanteert daartoe afspraken voor bewaartermijnen. Een gegevensset voor overdracht aan de  jeugdgezondheidszorg maakt onderdeel uit van het zorgplan.   Kwaliteit van kraamverzorgenden en organisatie Kraamzorg wordt geleverd door een professional die beschikt over de competenties die beschreven zijn in het beroepscompetentieprofiel verzorgende IG, niveau 3, uitstroom kraamzorg. Kraamverzorgenden zijn in staat om de zorg uit het zorgplan zelfstandig, vakkundig en methodisch uit te voeren en om deze zorg aan te passen aan wijzigingen in de situatie van de cliënt. Zij blijven binnen de grenzen van hun bekwaamheid en bevoegdheid en stellen zich toetsbaar op. Ze werken adequaat samen met collega’s en andere beroepsgroepen en handelen volgens professionele normen. Deze normen zijn gebaseerd op literatuur of consensus en voldoen aan de nieuwste inzichten. Kraamverzorgenden houden zich ook aan werkafspraken die gelden binnen de organisatie waarin ze werken, waaronder afspraken over het omgaan met klachten, fouten en incidenten. Leerlingen en stagiaires worden adequaat begeleid door kraamverzorgenden en werken onder hun verantwoordelijkheid. De kraamzorgaanbieder ziet toe op een verantwoorde uitoefening van zorg en ondersteunt kraamverzorgenden door voorwaarden te scheppen die nodig zijn om deze zorg adequaat uit te voeren. De zorg is zodanig georganiseerd dat de afgesproken kraamzorg gegeven kan worden en er zo min mogelijk wisseling van kraamverzorgenden in één gezin plaatsvindt. De bereikbaarheid van de kraamzorgaanbieder voor cliënten, medewerkers en verloskundigen is te allen tijde gewaarborgd. De materialen waarmee kraamverzorgenden werken zijn van goede kwaliteit.   Informatie en communicatie De kraamzorgaanbieder verschaft potentiële cliënten informatie over visie, aanbod, werkwijze en leveringsvoorwaarden. Het is voor potentiële cliënten duidelijk waar ze terecht kunnen voor meer informatie. Cliënten ontvangen uitleg over het Landelijk Indicatie Protocol Kraamzorg. Voorafgaand aan en tijdens de intake ontvangt de cliënt alle relevante informatie om wensen en voorkeuren kenbaar te kunnen maken en tot afspraken te kunnen komen. De afspraken betreffen de duur en de inhoud van de zorg die worden vastgelegd in de zorgovereenkomst. Daarnaast wordt uitleg gegeven over belangrijke wettelijke kaders, waaronder de ARBO wetgeving en privacy- en klachtenregelingen. Bij cliënten van niet-Nederlandse afkomst wordt tijdens de intake extra aandacht besteed aan de uitleg van het Nederlandse systeem van gezondheidszorg en de rol van de  kraamverzorgende. Als er een taalbarrière is worden inspanningen verricht om een goede communicatie mogelijk te maken.   Samenwerking met ketenpartners De kraamzorgaanbieder spant zich in om afspraken te maken met andere zorgaanbieders in de keten over de afstemming van zorg. Onder deze zorgaanbieders vallen tenminste verloskundigen, ziekenhuizen en de jeugdgezondheidszorg. De overdracht van de afdeling verloskunde naar de kraamzorg maakt onderdeel uit van de afspraken met het ziekenhuis. De cliënt wordt om toestemming gevraagd om met andere zorgverleners over haar te overleggen en om gegevens aan hen over te dragen. De kraamzorgaanbieder ondersteunt kraamverzorgenden in de samenwerking met andere beroepsgroepen. Rond de bevalling werkt de kraamverzorgende samen met en assisteert de verloskundige door het uitvoeren van de taken die vallen binnen het beroepsdomein van de verzorgende. Gedurende haar aanwezigheid in het gezin observeert en signaleert de kraamverzorgende en zij rapporteert over de gezondheid van moeder en kind aan de verloskundige en, indien van toepassing, de kraamzorgorganisatie. Er zijn duidelijke afspraken tussen de kraamzorgaanbieder en de verloskundige over de verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Tijdens de kraamperiode is er systematisch overleg tussen de kraamverzorgende en de verloskundige en zij stemmen de adviezen aan de cliënt onderling op elkaar af. Aan het eind van de kraamperiode draagt de kraamverzorgende, in samenwerking met de verloskundige, de zorg over aan de jeugdgezondheidszorg.   Landelijk indicatieprotocol kraamzorg (LIP) Het LIP is een handleiding waarmee de kraamzorgaanbieders, verloskundigen en verzekeraars voor elke situatie opnieuw in het hele land op dezelfde manier bepalen welke kraamzorg nodig is. Het LIP is zeer uitgebreid en kunt u downloaden op de ledensite van Bo Geboortezorg. Het LIP is één van de basisdocumenten van de normen voor verantwoorde kraamzorg.   Zinnige Kraamzorg Op dit moment wordt middels het project Zinnige kraamzorg gewerkt aan een hedendaagse visie op kraamzorg en op welke wijze deze toekomstbestendig kan worden gemaakt. Op basis hiervan zullen in de komende tijd ook de kwaliteitsnormen kraamzorg en het LIP worden bijgesteld.   Kwaliteitsregister kraamverzorgenden van het Kenniscentrum Kraamzorg (KCKZ) www.kckz.nl  Om professionele kwaliteit van de professionals te borgen, heeft het Kenniscentrum Kraamzorg een kwaliteitsregister voor kraamverzorgenden ontwikkeld. (zie paragraaf 3.8). Alle kraamverzorgenden in Nederland staan inmiddels ingeschreven bij het kwaliteitsregister en per april 2019 is een nieuwe registratieperiode ingegaan.


Kwaliteitsmanagementsysteem

Wat is een kwaliteitsmanagementsysteem?   In iedere organisatie zijn er, geschreven of ongeschreven, afspraken en regels over doelstellingen en over wat er gedaan moet worden en de wijze waarop. Bijvoorbeeld hoe beslissingen tot stand komen en wie ze mag nemen of de eisen waar een zorgplan aan moet voldoen. Als al die afspraken en regels samen een gestructureerde, consistente verzameling vormen en kunnen helpen bij het sturen, beheren en verbeteren van de activiteiten van een organisatie, dan spreken we van een managementsysteem.   De kernactiviteiten van een organisatie, zoals  het verlenen van zorg of het voorzien in dagopvang, vormen samen het zogeheten primaire proces. Deze processen verdienen in een managementsysteem uiteraard de meeste aandacht. Daar omheen spelen zich allerlei ondersteunende processen af zoals administratie en personeelsbeheer maar ook zaken als beleidsvorming en de inkoop van de juiste materialen of diensten. Het in kaart brengen, vastleggen, uitvoeren en bijsturen van processen volgens een helder vastgelegd systeem leidt tot een inzichtelijke organisatie. Mensen weten wat hun rol is, waar hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen, welke problemen kunnen ontstaan en hoe ze voorkomen of opgelost kunnen worden. Kortom: een organisatie waar klanten, managers en medewerkers tevreden over kunnen zijn.   Waarom een kwaliteitsmanagement systeem?   De Wkkgz schrijft voor dat instellingen een werkend kwaliteitssysteem moeten hebben en dat het systeem kwaliteit van zorg moet bewaken, beheersen en verbeteren. In artikel 4 van de wet staat dat de zorgaanbieder systematisch gegevens over de kwaliteit van zorg moet verzamelen en registreren om te toetsen in hoeverre verantwoorde zorg is verleend. Daarnaast is ook voor belanghebbenden zoals Zorgverzekeraars, brancheorganisaties en inspecties het hebben van een certificaat of keurmerk een teken dat de organisatie serieus en systematisch werkt aan kwaliteit van zorg. Vaak stellen zij het hebben van een werkend kwaliteitsmanagement systeem als eis. Dit is ook een lidmaatschapseis van Bo Geboortezorg.   Welke onderdelen kent een kwaliteitsmanagement systeem? De meest gangbare kwaliteitsmanagement systemen in de zorg zijn gebaseerd op het principe van de kwaliteitscirkel van Deming: de zogenaamde PDCA cyclus ofwel Plan, Do, Check en Act. Deze  cyclisch opvolgende activiteiten maken dat er continu en bewust aandacht is voor verbeteringen van de zorg of de dienstverlening. Op basis van het gekozen systeem worden bij de opzet van een kwaliteitsmanagement systeem de volgende stappen doorlopen: Analyse van de huidige organisatie waar onder doelstelling, prestaties en bedrijfsprocessen en aanwezige procedures, documenten en richtlijnen. Beschrijven en documenteren van de vereiste documenten, procedures en richtlijnen. Deze worden vervolgens gerangschikt en opgeslagen ( veelal digitaal) in het kwaliteithandboek. Implementeren van de beschreven en vastgelegde werkwijzen en procedures volgens de PDCA-cyclus. Periodieke interne toetsing ( interne audit) of de implementatie goed verloopt en voldoet aan de eisen van het gekozen KMS Periodieke directiebeoordeling (managementreview) of de beschreven doelstelling van de organisatie behaald wordt en welke aanpassingen en/of koerswijzigingen gewenst zijn om zo afwijkingen bij te sturen. Periodieke externe toetsing (externe audit) met als doel verkrijgen of verlengen van het desbetreffende certificaat of keurmerk   Gangbare kwaliteitssystemen in de kraamzorg Er bestaan vele kwaliteitsmanagement systemen. Hieronder worden de meest toegepaste in zorgorganisaties beschreven. Grofweg zijn de systemen in te delen in systeemmodellen versus prestatiemodellen. Bij een systeemmodel wordt de organisatie als het ware geanalyseerd en beschreven op basis van de bedrijfsprocessen met het idee dat wanneer deze goed gevolgd worden de uitkomst/prestatie vanzelf goed is. Bij een prestatiemodel staan de uitkomsten of prestaties centraal en is het van ondergeschikt belang hoe deze tot stand zijn gekomen.  Alle systemen hebben als basis dat voldaan moet worden aan de vigerende wet & regelgeving. Overigens kunnen systemen die niet nader genoemd zijn ook bruikbaar zijn. Verder wordt in dit document  stilgestaan bij afwegingen die u bij de keuze van een systeem kunt maken. ISO 9001 www.nen.nl   Kenmerken: ISO 9001 is een internationale norm die toepasbaar is voor elk bedrijf en dus niet specifiek gericht is op het aanbieden van zorg en de Nederlandse wet & regelgeving waar zorginstellingen mee te maken hebben. De normen zijn dus algemeen van aard en niet geconcretiseerd naar de bedrijfsprocessen  van een zorgaanbieder en de complexe omgeving waarbinnen een zorgaanbieder opereert. ISO 9001 wordt via NEN (Nederlands Normalisatie Instituut)  beheerd maar kan alleen in internationaal verband worden aangepast. Omdat de bedrijfsprocessen worden geanalyseerd, beschreven en beoordeeld is hier sprake van een systeemmodel   Voor- en nadelen: Door de algemeenheid en globale aard kan men om te voldoen aan de norm volstaan met minder diepgaande en vergaande beschrijving van de processen en kost dit systeem minder tijd en inspanning.  Nadeel is dat het kwaliteitshandboek dan minder aansluit bij de operationele werkprocessen en zal er om te voldoen aan de complexe wet & regelgeving toch nog aanvullende beschrijvingen en procedures nodig zijn om te kunnen voldoen aan de vereiste kwaliteit en de verantwoording daarvan.  Het ISO keurmerk is een internationaal erkend en herkenbaar logo.   EN 15224 (“ ISO 9001 voor de zorg”) www.nen.nl   Kenmerken: EN 15224 is een Europese norm gericht op aanbieders van zorg. Deze norm is ontstaan omdat er in tegenstelling tot Nederland in veel Europese landen geen specifieke, nationale  normen voor de zorg bestonden. Ook deze norm wordt via NEN beheerd en kan alleen in Europees verband worden aangepast. Omdat het geen wereldwijde norm is mag eigenlijk niet gesproken worden over een ISO norm (International Standard of Organisation). De EN 15224 gaat dieper in op de specifieke bedrijfskenmerken van aanbieders van zorg. Met name veiligheidsmanagement en risicoanalyse nemen een belangrijke plaats in. Ook hier is sprake van een systeemmodel   Voor- en nadelen: De EN 15224 is door zijn gerichtheid op de gezondheidszorg herkenbaarder en concreter dan de ISO 9001. Nationale wet & regelgeving en sectorspecifieke kenmerken zijn in deze norm niet verwerkt en de terminologie is ook meer cue dan care gericht. Omdat geen sectorspecifieke kenmerken zijn verwerkt kan het voor een organisatie die zorg levert in verschillende sectoren een voordeel zijn om deze norm te hanteren.   HKZ (Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector) www.hkz.nl/www.nen.nl Sinds mei 2012 is HKZ samengegaan met NEN en is het HKZ een apart bedrijfsonderdeel van NEN geworden; ook wel NEN-HKZ Zorg en Welzijn genoemd.   Kenmerken: HKZ normen zijn sectorspecifieke normen gericht op de Nederlandse gezondheidszorg en wet & regelgeving. De norm bestaat uit een Algemeen Organisatiedeel die voor alle sectoren geldt en een sectorspecifiek deel. Zo zijn er specifieke delen voor kraamzorg, bemiddeling, kleine organisaties, VVT (verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorg) en zorgboerderijen. HKZ normen zijn in oorsprong gebaseerd op de ISO 9001 norm en daarom ISO compatible. In de HKZ normen die na 2008 zijn opgesteld of zijn herzien zijn normen op veiligheidsgebied toegevoegd. Voor organisaties die extra aandacht aan het monitoren van veiligheid willen geven is een apart certificatieschema Cliënt/Patiëntveiligheid ontwikkeld. Ook HKZ normen zijn systeemmodellen. Naast de certificatieschema’s biedt HKZ ook trainingen en workshops aan en is er een helpdesk die ondersteuning kan bieden. Organisaties in de VV&T en de gehandicaptenzorg kunnen er ook voor kiezen om HKZ fasegewijs in drie stappen te implementeren waarbij na het behalen van stap 1 en 2 een HKZ-certificaat wordt afgegeven. Na het behalen van stap 3 wordt het HKZ keurmerk behaald, pas in deze fase is er sprake van een volledig geïmplementeerd kwaliteitsmanagement systeem.   Voor- en nadelen: De toepassing  van het HKZ-model levert een gedetailleerde analyse en beschrijving  van de organisatie op en geeft goed zicht op verbeterbare onderdelen. Ook sluiten de procesbeschrijvingen goed aan op het operationele werkproces en kan het kwaliteitshandboek een duidelijke basis vormen voor de organisatie.  Dit vraagt relatief wel meer tijd en inspanning. Gedetailleerde beschrijvingen vragen ook om consequente en periodieke evaluatie en bijstelling. Dit geldt met name voor de specifieke sectordelen die in een complex, snel en ingrijpend veranderend zorglandschap met bijbehorende financiering en wet & regelgeving moeilijker up to date gehouden kunnen worden.   INK ( Instituut Nederlandse Kwaliteit) www.ink.nl   Kenmerken: Het INK- managementmodel is niet zozeer een norm zoals een ISO/EN norm of een certificatieschema zoals HKZ maar een managementmodel wat als hulpmiddel kan dienen om de eigen organisatie op een hoger plan te brengen. Hierbij worden diverse toepassingsniveaus onderscheiden; het model wordt gebruikt als ordeningskader voor aspecten van de organisatie (referentiekader);  het model wordt gebruikt om verbeterpunten op te sporen (diagnosemodel); het wordt gebruikt om veranderingen in gang te zetten (ontwikkelingsmodel) en tot slot kan het dienen als planning & control instrument (besturingsmodel). Naast het verandering/verbetering principe van de kwaliteitscirkel via  Plan, Do, Check, Act kent het model ook een belangrijke waarde toe aan de invloed hierbij van emotie en cultuur via de cirkel  Inspireren, Mobiliseren, Waarderen en Reflecteren. Het model is niet expliciet gericht op het behalen van een keurmerk of certificaat. Via externe feedback of een audit kan men een INK Onderscheiding op drie niveaus behalen en in het allerhoogste  geval in aanmerking komen voor de INK-prijs. Het INK is geïnitieerd door het Ministerie van Economische Zaken en gericht op Nederlandse profit en non-profit organisaties maar kent zijn oorsprong in 14 Europese multinationals. De INK-onderscheiding houdt daarom  tevens de Europese erkenning voor Business Excellence die namens de EU wordt uitgereikt.   Voor- en nadelen: Door de focus op het behalen van betere resultaten en het excelleren hierin ten opzichte van andere organisaties biedt  het model veel handvatten om als organisatie te groeien en te ontwikkelen. Met het kiezen van het toepassingsniveau bepaalt u zelf in hoeverre u het model wilt volgen. Echter wilt u in aanmerking komen voor een onderscheiding dan moet u de lat hoog leggen en de ambitie hebben om het model in zijn volle diepgang toe te passen.  In dat geval is het model vooral geschikt voor grotere organisaties. Externe audits kunnen alleen uitgevoerd worden door het INK opgeleide en aangewezen partners.    De meerwaarde van een kwaliteitssysteem Vaak is voor organisaties de aanleiding tot het implementeren van een kwaliteitssysteem een door derden (brancheorganisatie, zorgkantoor e.d.)  opgelegde verplichting. De investering in tijd en geld die implementatie met zich mee neemt wordt dan vaak ervaren als een extra en onnodige bureaucratische last. Wanneer een kwaliteitssysteem wordt gezien als een strategisch middel om inzicht te krijgen en te houden op de organisatie, om verbeteringen tot stand te brengen en om doelgericht plannen te maken dan zal  een werkend kwaliteitssysteem een duidelijke meerwaarde hebben voor de organisatie. Een onderdeel van ieder kwaliteit managementsysteem is het voldoen aan de geldende wet & regelgeving. Ook wanneer een organisatie kiest om geen kwaliteit systeem te hanteren zal deze aan de wet& regelgeving moeten voldoen. Een deel van de te investeren tijd staat dus los van het wel of niet implementeren van een kwaliteitssysteem. Tot slot leert de ervaring dat het tot in detail omschrijven van procedures en richtlijnen en tot wanhoop drijvende externe audits vaak ontstaan zijn in een tijdgeest waarin beheersen en controleren werd gezien als het ultieme middel tot succes en waarin de externe auditor de neiging had om middels een eigen vertaalslag van de norm hier nog een schepje bovenop te doen.  Een norm of eis binnen een kwaliteitssysteem geeft over het algemeen niet aan uit hoeveel woorden een procedure of doelstelling moet bestaan, in grote lijnen maakt een organisatie daarin haar eigen keuzes. De huidige tijdgeest van minder regeldruk en het meer gericht zijn op het uiteindelijke resultaat in plaats van het proces biedt ook meer ruimte om het kwaliteit managementsysteem op een efficiënte en doelgerichte wijze in te richten en te implementeren.   Hoe maak je de keuze voor een kwaliteitssysteem Het keurmerk van een kwaliteitssysteem is bedoeld om zich te onderscheiden en te laten zien dat de organisatie bewust en op een structurele wijze werk  maakt van kwaliteit. Het onderscheidend vermogen zal klein zijn wanneer het gekozen kwaliteitssysteem nauwelijks bekend is, anderzijds wordt het onderscheidend vermogen ook kleiner naarmate het merendeel van gelijksoortige organisaties hetzelfde keurmerk hebben. De keuze voor een bepaald systeem ligt in zijn geheel bij de organisatie zelf. Zorgverzekeraars, zorgkantoren, brancheorganisaties en/of gemeenten stellen over het algemeen het hebben van een kwaliteitmanagement systeem als een verplichting. In de regel leggen zij niet op welk systeem dat moet zijn. Het is wel zaak dat u zich daarvan vergewist! Afgewogen moet worden waar de organisatie de nadruk op wil leggen; nationaal of internationaal gericht; prestatie of proces gericht, beheersen of verbeteren; sectorspecifiek of algemeen?  Ook kan de grootte van de organisatie en de mate waarin al veel beheersmatig is omschreven en vastgelegd bepalend zijn. Voor een aantal systemen geldt dat er naast de informatie via brochures en de website een informatief gesprek kan plaatsvinden gericht op de eigen organisatie. Ook zijn er tal van adviesbureaus die (veelal tegen een vergoeding) kunnen adviseren over welk systeem het beste past. Informatie inwinnen bij een collega organisatie die al ervaring heeft met een systeem kan echter ook al veel opleveren!   Welke ondersteuning heb je nodig? De mate van ondersteuning hangt eveneens af van een aantal factoren. Iedere implementatie van een systeem begint bij een analyse van de huidige situatie waarbij bekeken wordt welke onderdelen nog beschreven en gedocumenteerd moeten worden. Hoeveel tijd, kennis en affiniteit er beschikbaar is in de eigen organisatie bepaald vervolgens hoeveel externe ondersteuning hierbij gewenst en nodig is. Afweging hierbij kan zijn dat een kwaliteitssysteem pas goed gaat werken en leven binnen de organisatie wanneer het gezien wordt als een integraal onderdeel van het eigen werkproces en niet als een van buitenaf ontwikkeld en opgelegd systeem.   Wat houdt certificering in? Wanneer het gekozen kwaliteitssysteem conform de eisen en normen, al dan niet met ondersteuning van derden is geïmplementeerd kan middels een externe beoordeling (audit) het keurmerk bij het betreffende systeem worden verkregen. Met uitzondering van de Kwaliteitswaarborg Zorgboerderijen wordt deze beoordeling uitgevoerd door zogenaamde certificerende instellingen (CI) die hiervoor accreditatie hebben ontvangen van de Raad voor Accreditatie (RvA). Deze RvA toetst aan de hand van vooraf opgestelde reglementen of de CI onafhankelijk en in staat is om conform het reglement de audit uit te voeren. In dit reglement staat bijvoorbeeld ook omschreven uit hoeveel dagdelen de audit moet bestaan. Voor het INK geldt dat alleen door hen opgeleide auditoren mogen certificeren. Overige CI’s kunnen vaak zowel voor ISO-, EN- als ook voor HKZ normen certificeren. Ook bij Certificerende Instellingen begint de tendens van minder regeldruk en meer prestatiegerichtheid door te sijpelen. In plaats van een procesgerichte beoordeling naar prestatiebeoordelingen, ook wel beoordelen op basis van cultuur en vertrouwen genoemd. Men kijkt hierbij niet meer zozeer of alle documenten en procedures voorhanden zijn maar bijvoorbeeld of de medewerkers weten welk resultaat van hun wordt verwacht. Dit neemt niet weg dat het handboek wel op orde moet zijn en de organisatie te allen tijde moet voldoen aan de vigerende wet & regelgeving. Een één maal verkregen keurmerk heeft een beperkte geldigheid. Bij de meeste keurmerken is dit drie jaar. Na deze termijn dient een her certificering te worden aangevraagd.   Met welke kosten moet je rekening houden? De kosten van een kwaliteit managementsysteem zijn opgebouwd uit: De aanschaf van het systeem (de normen) De eigen investering in tijd voor implementatie Eventuele ondersteuning door derden De kosten van de externe audit Onderhoudskosten   Het is moeilijk om een indicatie te geven van de kosten waar u rekening mee moet houden bij de implementatie van een eenmaal gekozen systeem en het onderhoud wat daarna noodzakelijk is. Kengetallen voor de implementatie variëren van 5 tot 17% van de omzet en de onderhoudskosten van 50 tot 70% van de implementatiekosten. De aanschafkosten zijn doorgaans beperkt tot enkele tientallen euros. De grootste variatie zit in de mate van advies en ondersteuning die u nodig denkt te hebben van derden, de eventuele aanschaf van ondersteunende software en of u bijvoorbeeld voor de implementatie en/of het onderhoud een aparte kwaliteitsmedewerker aan wilt stellen.  De tijd die door de onafhankelijke auditor nodig is voor de certificering is vastgelegd in het reglement voor CI’s en wordt uitgedrukt in mandagen. Voor kleine organisaties varieert dat van 1 tot 2 dagen voor grote organisaties of organisaties met veel vestigingen kan dat snel oplopen tot wel 20 mandagen. Voor een mandag moet u tussen de €1000,= en €1200,=  rekenen exclusief eventuele reis of verblijfskosten. Uitzondering is het INK-managementmodel Voor een audit van het INK managementmodel bent u onder de 100 medewerkers € 15.000 kwijt en vanaf 100 medewerkers € 20.000,=. Bij certificering voor HKZ bent u afhankelijk van het aantal fte’s van uw organisatie een HKZ-afdracht verschuldigd variërend van € 300,= tot € 3000,=.   Er zijn tal van adviesbureaus die u kunnen ondersteunen en het is altijd raadzaam om meerdere offertes op te vragen met uitgebreide specificaties over welke ondersteuning precies geboden wordt. Ook is ondersteuning en externe auditing  vaak een kwestie van de juiste chemie, zorg dus ook dat u bij een selectie kennismaakt met de persoon die uiteindelijk de ondersteuning of de audit zal uitvoeren.


Kwaliteitsverantwoording

Kwaliteitsverantwoording   In het kader van de kwaliteitswet dienen kraamzorgorganisaties de door hen geleverde kwaliteit van zorg  te meten en zichtbaar te maken. Hiertoe is in 2008 het project ‘Zichtbare Zorg’ gestart waarin de basis is gelegd voor het op een systematische wijze registreren en meten van de geleverde kwaliteit. Dit project is inmiddels beëindigd en de taken van Zichtbare Zorg zijn sinds 2012 terug in het veld belegd. De partijen in deze zijn de Zorgaanbieders (Bo Geboortezorg), de Zorgverzekeraars (ZN) en de cliëntenvertegenwoordiging  (PFN). Zij spreken tripartite de inhoud van de indicatoren af,  hoe en wanneer er gemeten wordt en op welke wijze de resultaten publiek worden gemaakt.  Vanaf april 2014 heeft het kwaliteitsinstituut een formele status gekregen om er op toe te zien dat partijen op een juiste wijze deze afspraken maken en dat deze afspraken voldoen aan de eisen die daartoe door het kwaliteitsinstituut zijn gesteld.   Op de site van het Zorginstituut Nederland is hier meer over te lezen. Op Zorginzicht.nl zijn onder Geboortezorg onder andere de transparantiekalender, het toetsingskader en het kwaliteitsregister,  afspraken en bijbehorende documenten terug te vinden.   Naast afspraken over de inhoud van het meten moeten de partijen ook afspraken maken over de organisatie en financiering  van het aanleverproces en de gegevensverwerking. Vanaf meetjaar 2015 heeft Bo Geboortezorg  dit op zich genomen voor de kraamzorgorganisaties. De NBVK regelt dit op gelijke wijze voor de ZZP’ers.   De basis van de kwaliteitsverantwoording Het Visiedocument Verantwoorde Kraamzorg 2008 en het LIP (zie paragraaf 5)  vormen de basis voor het meetproces. Hierin hebben de betrokken partijen vastgelegd wat onder goede kraamzorg wordt verstaan. Ten behoeve van het meetproces zijn op basis van het Visiedocument Verantwoorde Kraamzorg door de belanghebbende partijen de indicatoren bepaald die iets zeggen over de geleverde kwaliteit. Als belanghebbende partijen zijn aangemerkt de Kraamzorgaanbieder, IGJ, Zorgverzekeraars en Cliënten. Zij maken vanuit verschillende invalshoeken gebruik van de uitkomsten van het meetproces:   Kraamzorgorganisaties en kraamverzorgenden tonen ermee aan dat zij kwalitatief goede kraamzorg leveren. Daarnaast gebruiken zij de resultaten om de kwaliteit van de zorg waar nodig te verbeteren; De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gebruikt de informatie voor haar toezichtstaak; Zorgverzekeraars gebruiken de informatie bij de zorginkoop; Cliënten en verwijzers kiezen op basis van de informatie van welke kraamzorg(aanbieder) zij gebruik willen maken;   Algemeen Een kwaliteitsmeting bestaat uit twee delen. Een meting van de cliënttevredenheid (CQ) en een meting op de inhoudelijke zorgverlening (ZI).   Op de eerder genoemde site van het kwaliteitsinstituut is het meest recente overzicht van de  Kwaliteitsindicatoren Kraamzorg (meetjaar 2019) en het meest recente  handboek over het meetproces (meetjaar 2019) te vinden. Hieronder vindt u een korte samenvatting:   De cliënttevredenheid werd tot 2015 gemeten op basis van een wetenschappelijk ontwikkelde vragenlijst, de CQ meting, door een extern bureau. Deze meting moet 1x per 2 jaar plaatsvinden. Kraamzorgorganisaties hebben in 2011 en 2013 de CQ gemeten. Per 2015 is de verplichte CQ meting komen te vervallen. Hierbij is de afspraak gemaakt dat deze op termijn vervangen moet worden door een cliëntervaringsinstrument voor de hele Geboortezorg. Zie hiervoor verder bij Indicatorenset Integrale Geboortezorg (IIG). De inhoudelijke kwaliteit wordt gemeten door de organisatie zelf op basis van de zorginhoudelijke indicatoren. Ter voorbereiding van een meting dient u eerst een aantal zaken geregeld te hebben. Het is verstandig om 1 contactpersoon/verantwoordelijke binnen de organisatie aan te wijzen voor het gehele meetproces. Dit voorkomt ruis en hiermee wordt strakker regie gehouden op het proces en de tijdsbewaking.   De Zorginhoudelijke meting Voor het meten van de zorginhoudelijke indicatoren  zijn voor de kraamzorg  indicatoren opgesteld. Dit aantal is in de loop van de jaren verminderd omdat niet alle indicatoren  betrouwbaar en valide zijn gebleken.  De meting van de ZI indicatoren doet u als organisatie zelf. Voor het meetjaar 2020 zijn de volgende Zorginhoudelijke  Indicatoren Kraamzorg vastgesteld: Tijdige intake Tijdige partusassistentie Bijgeschoolde kraamverzorgenden Continuïteit in persoon Noodzakelijke zorg Geslaagde borstvoeding Ketenzorg werkafspraken Kraamzorg bij gezinnen in achterstandssituaties Daarnaast zijn er sinds het meetjaar 2017 ook integrale indicatoren aan toegevoegd dit betreft de Borstvoedingsindicator en de klantpreferenties. Deze indicatoren moeten op het niveau van Verloskundig Samenwerkings Verband (VSV) worden aangeleverd. Als onderdeel van de keten Geboortezorg is ook kraamzorg verplicht hieraan bij te dragen. Aanlevering, verwerking en publicatie over meetjaar 2019 Evenals over de vorige meetjaren moeten de meetresultaten van 2019 worden aangeleverd  en geaccordeerd bij de portal van Desan (zie www.desan.nl). Tot 15 mei 2020 hebben organisaties daarvoor de tijd gehad. Na sluiting van de portal zijn de resultaten conform de afspraken voor 1 juni 2019 doorgeleverd aan het kwaliteitsinstituut die ze in het kader van de transparantie vervolgens publiceert op Zoginzicht.nl (voor cliëntkeuze informatie) en aan ZN ten behoeve van het zorginkoop proces 2020 (verantwoordingsinformatie).   Indicatorenset Integrale Geboortezorg Kwaliteitsverantwoording en transparantie zijn onlosmakelijk verbonden met het denken over kwaliteit en de rollen en verantwoordelijkheden van partijen daarbinnen. Gelijk met het opheffen van Zichtbare Zorg is het inzicht ontstaan dat kraamzorg niet op zichzelf staat maar een onderdeel is van de keten geboortezorg. Naar aanleiding van het rapport “ Een Goed Begin” is onder de hoed van het CPZ  de Zorgstandaard Integrale Geboortezorg (ZIG) vastgesteld.  Vanuit deze Zorgstandaard zijn nieuwe indicatoren ontwikkelt die iets zeggen over de zorginhoudelijke kwaliteit en de cliënt ervaringen in de Geboortezorg per VSV regio.  In 2017 heeft het Zorginstituut de Indicatorenset Integrale Geboortezorg vastgesteld en vanaf dat jaar moeten VSV’s  de uitkomsten van deze indicatoren aanleveren. Voor kraamzorg betreft dit over 2019 het aanleveren van de indicator geslaagde borstvoeding op VSV niveau ( dat wil zeggen van alle kraamzorgorganisaties in die regio samen) en de zogenaamde klantpreferenties kraamzorg. De clientervaringen moeten op twee manieren door het VSV worden gemeten. Als eerste middels zogenaamde Net Promoter Score (NPS), deze moet aan iedere cliënt worden voorgelegd. Als tweede middels een aanvullend instrument naar keuze die steekproefsgewijs mag worden uitgezet. Meer uitleg hierover vindt u in het handboek kraamzorg 2019 (website Bo) , de Indicatorenset Integrale Geboortezorg en het werkproces client ervaringsinstrument NPS+ (beiden te vinden op de website van het CPZ). Onder de hoed van het CPZ wordt nu door de gezamenlijke partijen gewerkt aan doorontwikkeling van deze Indicatorenset. Bo Geboortezorg is bij deze doorontwikkeling nauw betrokken en is er op gericht dat aan het onderdeel kraamzorg binnen de keten Geboortezorg recht blijft worden gedaan.  In 2020 zal worden bezien of de lijnset kraamzorg zal worden opgenomen in de IIG.


Landelijk Indicatie Protocol (LIP)

Landelijk indicatieprotocol kraamzorg (LIP)   Het LIP wordt gebruikt door kraamzorgaanbieders, verloskundigen, huisartsen, intakers en zorgverzekeraars. Met het protocol is een scheiding ontstaan tussen partusassistentie en kraamzorg. Op medische gronden kan de verloskundige tot herindicatie van het aantal kraamzorguren besluiten. Het LIP is in de periode juni-september 2005 door de betrokken beroepsorganisaties (ActiZ, BTN, Z-org, STING, ZN en de KNOV) vastgesteld. Per 1 januari 2007 is het protocol landelijk ingevoerd.   Kraamzorg richt zich op het bieden van een goede start aan het pasgeboren kind en diens moeder in het gezin. Daarmee legt kraamzorg een basis voor een gezonde ontwikkeling van het kind voor diens toekomst en legt een fundament voor de kwaliteit en vitaliteit van onze toekomstige samenleving. Kraamzorg ondersteunt de eigen verantwoordelijkheid van de ouder(s)/verzorger(s) door zich te richten op individuele zorg en ondersteuning aan moeder en kind (en in het verlengde daarvan: het gezin) en individuele preventie. Kraamzorg houdt rekening met de uniciteit van iedere zorgvrager en de persoonlijke levenssfeer. Het kraamzorgaanbod is individueel afgestemd en is laagdrempelig, herkenbaar en (geprotocolleerd) toegankelijk.   Download hier het Indicatieprotocol.


LOC Waardevolle zorg (LOC)

LOC Waardevolle zorg (LOC) www.loc.nl   LOC Waardevolle zorg is een netwerk van mensen die betrokken zijn bij de zorg en biedt ondersteuning aan cliëntenraden in de jeugdzorg, geestelijke gezondheidszorg (waaronder jeugd-GGz), maatschappelijke zorg (Mo/Vo), verslavingszorg, verzorging en verpleging, thuiszorg en welzijn. Er zijn ongeveer 1.000 cliëntenraden aangesloten bij LOC, zij vertegenwoordigen samen zo’n 600.000 cliënten. Het LOC is een spreekbuis voor cliënten(raden) en  pleit voor aandacht voor de algehele gezondheid van mensen en waardevolle zorg.   LOC heeft een uitgebreid en gevarieerd pakket van diensten en producten, waar cliëntenraden die lid zijn van LOC gebruik kunnen maken. Daarnaast start en ondersteund de LOC initiatieven om de zorg te verbeteren. Leden betalen de stichting een jaarlijkse contributie. LOC neemt namens de cliëntenraden en cliënten deel in gesprekken en overleggen over de belangen van cliënten in de zorg. Dat gebeurt onder andere met de overheid, met zorgaanbieders en zorgverzekeraars en ook met instanties zoals de NZa het CIZ en het CAK.    


Loonadministratie

Loonadministratie   U dient zich aan te melden bij de Belastingdienst bij de start van uw bedrijf, ook wanneer u personeel in dienst gaat nemen meldt u dit bij de belastingdienst. De aanmelding doet u met het formulier 'Melding Loonheffingen Aanmelding werkgever'. Dit formulier kunt u downloaden via de website www.belastingdienst.nl. Na de aanmelding krijgt u een loonheffingennummer.   U kunt zich bij de belastingdienst ook aanmelden voor het ontvangen van de nieuwsbrief voor ondernemers, op die manier blijft u op de hoogte van de actualiteiten van de belastingdienst.   Op deze pagina van de belastingdienst vindt u alle informatie over loonadministratie en loonheffingen.   Salarisadministratie Wanneer u werknemers in dienst heeft dient u per werknemer een loonstaat aan te leggen en moet u loonheffingen inhouden en betalen. Loonheffingen zijn: de loonbelasting/premie volksverzekeringen de premies werknemersverzekeringen de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (werkgeversheffing Zvw en bijdrage Zvw) In de salarisadministratie neemt u de gegevens op die te maken hebben met loon, toelagen, subsidies, uitkeringen e.d. Hierin bewaart u ook alle informatie en correspondentie ten behoeve van de Belastingdienst. Verder kunt u hierin gegevens of afspraken opnemen over: salaris*; onkostenvergoedingen* (telefoon, woon-/ werkverkeer, verhuiskosten etc.); regeling auto van de zaak; regeling bedrijfslening; bedrijfsspaarregeling; collectieve ziektekostenverzekering; * Zie ook de CAO Kraamzorg.   Werkkostenregeling Met ingang van 1 januari 2015 is iedere werkgever verplicht om de werkkostenregeling te hanteren. De werkkostenregeling heeft alle verschillende regels en wetten rondom de verschillende vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers vervangen en gebundeld in één collectieve regeling. Bij de werkkostenregeling gaat het om loon, alles wat een werknemer krijgt op grond van zijn dienstbetrekking. Het gaat hierbij om loon in geld, maar ook om loon in natura. Binnen de werkkostenregeling kunt u maximaal 1,2% van uw totale fiscale loon (de vrije ruimte) besteden aan onbelaste vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor uw werknemers. U moet deze dan wel in uw administratie opnemen als eindheffingsloon. Vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die u niet wilt aanwijzen als eindheffingsloon, merkt u aan als loon van de werknemer en belast u normaal. Over het bedrag dat binnen de vrije ruimte valt, betaalt u geen loonbelasting. Over het bedrag boven de vrije ruimte betaalt u loonbelasting in de vorm van een eindheffing van 80%. U hoeft hierover geen premie volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw te betalen of bijdrage Zvw in te houden. Meer informatie over de Werkkostenregeling kunt u vinden op de volgende websites: Belastingdienst- WKR Werkkostenregeling en pensioen   Tijdelijke verruiming werkkostenregeling 2020 en invulling 2021   In 2020 is de werkkostenregeling eenmalig verhoogd van 1,7% naar 3% over de eerste €400.000 van de loonsom per werkgever. Dit is een belastingmaatregel vanwege de coronacrisis. Voor 2021 wordt de vrije werkkostenruimte weer 1,7% over de eerste €400.000. Boven de €400.000 wordt de ruimte verlaagd van 1,2% naar 1,18%   De reden van de eenmalige verhoging in 2020 is dat er zo meer mogelijkheden zijn om zowel iets extra’s als belastingvrij te doen in coronatijd voor de werknemers. De reden voor de verlaging in 2021 voor een loonsom van boven de €400.000, is dat de verruiming van de gerichte vrijstelling van scholingskosten hiermee gefinancierd kan worden. Voor meer informatie over de werkkostenregeling, klik hier.    


Medezeggenschap: OR en PVT

Medezeggenschap: OR en PVT   Medezeggenschap betrekt werknemers bij de totstandkoming van besluiten in de onderneming. Via medezeggenschap kunnen de werknemers invloed uitoefenen op het beleid en de gang van zaken in de onderneming waarin zij werken. Anderzijds krijgt u als werkgever via medezeggenschap belangrijke informatie vanaf de werkvloer. De Wet op de ondernemingsraden is de wettelijke basis voor medezeggenschap; in paragraaf 2.14 is de WOR aan de orde geweest (zie ook de paragraaf over arbeidsvoorwaarden van deze basismap).   Varianten:  > 50 medewerkers Ondernemingsraad verplicht 10 > 50 medewerkers Personeelsvertegenwoordiging (vrijwillig, tenzij 50% van de medewerkers er om vraagt) 10 > 50 medewerkers zonder OR of PVT Personeelsvergadering 2x per jaar EN als 25 % van de medewerkers er om vraagt   Ondernemingsraad (OR) De OR vertegenwoordigt de werknemers in bedrijven van 50 medewerkers of meer. De wet geeft de OR onder andere het recht op informatie en inspraak bij beslissingen over arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden. Elke onderneming met minstens 50 werknemers moet een OR hebben. De werkgever moet ervoor zorgen dat deze OR er komt. Er zijn wettelijke richtlijnen voor het aantal leden van de OR, het stemrecht en de zittingsperiode. Als de OR eenmaal is ingesteld kan deze met de werkgever andere afspraken maken over deze rechten en plichten. De Cao geeft meer ruimte voor overleg met de OR. Dat geeft mogelijkheden voor het toesnijden van regelingen op de lokale situatie.  De OR heeft recht op door de werkgever betaalde scholing. Richtbedragen daarvoor worden door de SER gepubliceerd.   PVT Een personeelsvertegenwoordiging (PVT) is een medezeggenschapsorgaan dat in het algemeen wat minder bevoegdheden heeft dan een OR. Ondernemers met tien tot vijftig werknemers kunnen vrijwillig een OR opzetten of een PVT instellen. Dat laatste is verplicht als een meerderheid van de werknemers daarom vraagt.   Bedrijfscommissie Een OR en een bestuurder die een geschil hebben over de toepassing van de Wet op de Ondernemingsraden, kunnen dit geschil voorleggen aan de bedrijfscommissie in hun sector. De bedrijfscommissie bemiddelt en als bemiddeling niet slaagt, dan geeft zij advies.   Als bemiddeling en/of advies van de bedrijfscommissie geen oplossing brengt, dan kunnen partijen zich vervolgens tot de kantonrechter wenden. Daarbij kunnen zij aan de rechter het verslag van bevindingen en/of het advies van de bedrijfscommissie te overleggen.   Bij de wetswijziging van juli 2013 is de wettelijk verplichte registratie van het (voorlopig) reglement en jaarverslag komen te vervallen.   Wat nog wel wettelijk verplicht is, is de registratie van; het schriftelijke besluit van de ondernemer om vrijwillig een ondernemingsraad (OR) in te stellen alsmede het schriftelijke besluit tot opheffing daarvan (art. 5a, lid 2 WOR); de ondernemingsovereenkomst, waarin extra bevoegdheden aan de OR zijn toegekend (art. 32, lid 2 WOR). (Zorg en welzijn en sociaal-culturele sectoren vallen onder Bedrijfscommissie Markt II.)   Medezeggenschap in de cao Kraamzorg 2018-2019 In de cao Kraamzorg 2018-2019 krijgen werkgever en de medezeggenschapsraad vaker, ten opzichte van de cao Kraamzorg 2016-2017, de mogelijkheid om binnen gestelde kaders afspraken te maken. Aangezien sommige artikelen niet toepasbaar zijn voor alle verschillende soorten en maten organisaties in de kraamzorg stimuleert Bo het gebruik van deze mogelijkheden tot overleg. Werkgever en de medezeggenschapsraad maken in ieder geval afspraken over de volgende onderwerpen (artikel 12.4 ‘Ondernemingsovereenkomst’): Scholing en ontwikkeling Beoordelingsregeling Invulling meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden Vergoedingen, zoals telefoonkosten en dienstkleding. Integriteitsbeleid Werkoverleg Verplichtingen werkgever en werknemer Verhuiskostenregeling Studiekostenregeling   Downloads Op de website van SER  (www.ser.nl) treft u actuele informatie aan over medezeggenschap. U kunt er terecht voor een voorbeeld OR-reglement,  maar ook voor de leidraad voor de personeelsvertegenwoordiging met toelichting en bijlagen over bijvoorbeeld taken en bevoegdheden van PVT-leden.        


Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Min VWS)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Min VWS) www.rijksoverheid.nl   Nederland gezond en wel. Dat is het motto van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Zorg voor ouderen en jongeren en voor mensen met een lichamelijke of verstandelijke handicap. Ongeveer 5000 ambtenaren van dit ministerie maken het overheidsbeleid op het terrein van de gezondheidszorg, de maatschappelijke zorg en sport.   Hugo de Jonge is de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en is verantwoordelijk voor de algemene infectieziektebestrijding covid-19, de ouderenzorg, Wmo en mantelzorg, wijkverpleegkundige zorg, persoonsgebonden budget en medisch-ethische vraagstukken.   Tamara van Ark is de minister voor medische zorg en sport en is binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met: cure, zorgverzekeringswet, zorgtoeslag en pakketbeheer, curatieve zorg, drugs, voedselveiligheid, genees- en hulpmiddelen, gezondheidsbescherming, infectieziektebestrijding, medische technologie, sportbeleid, gehandicaptenzorg, arbeidsmarkt zorg, regeldruk en rechtmatige zorg.   Paulus Blokhuis is de staatsecretaris van VWS en is binnen de grenzen van het door de minister vastgestelde beleid in het bijzonder belast met: jeugd- en jeugdgezondheidszorg, huiselijk geweld en kindermishandeling, oorlogsgetroffenen en verzetsdeelnemers, geestelijke gezondheidszorg, preventie, maatschappelijke opvang, drugs, gezondheidsbevordering en leefstijl en de maatschappelijke diensttijd.   Volksgezondheid VWS stimuleert mensen tot gezond gedrag. Mensen die problemen hebben met hun gezondheid moeten tijdig een beroep kunnen doen op de huisarts, het ziekenhuis of andere vormen van gezondheidszorg. Zij zijn daarvoor verzekerd en hebben dus recht op zorg. Samen met ziektekostenverzekeraars, aanbieders van zorg en patiëntenorganisaties zorgt het ministerie van VWS dat er genoeg voorzieningen zijn en dat mensen voldoende keuzemogelijkheid hebben.   Welzijn Nederland kent groepen inwoners die minder (kunnen) profiteren van onze welvaartsstaat. Zij zijn in economisch opzicht niet zelfstandig of nemen niet actief deel aan de maatschappij. In samenwerking met departementen die zich bezighouden met economie, onderwijs, wonen en milieu versterkt het ministerie van VWS de sociale infrastructuur. Belangrijke onderdelen van het sociaal beleid zijn het vrijwilligerswerk en de jeugdzorg.   Sport Sport bevordert de gezondheid, zorgt voor sociale contacten en draagt bij aan de zelfontplooiing. De 'sportieve missie' van het ministerie van VWS is het mogelijk maken dat iedereen op een verantwoorde manier kan sporten. Daarnaast besteedt het ministerie geld en aandacht aan topsport, zodat Nederland ook bij internationale toernooien een goede partij is.


Modelovereenkomsten kraamzorgorganisatie en zzp-er

Modelovereenkomsten kraamzorgorganisatie en zzp-er Toelichting en uitleg beoordeling overeenkomsten Raamovereenkomst tussen de kraamzorgorganisatie en de zelfstandig kraamverzorgende Algemene toelichting op de raamovereenkomst Overeenkomst van opdracht tussen kraamzorgorganisatie en de zelfstandig kraamverzorgende per klant Overeenkomst inzake facturatie en betaling bij vervanging Overeenkomst inzake verrichten van aanvullende diensten Verklaring van verrichten van opdracht Meer informatie over de modelovereenkomsten kraamzorg: Modelovereenkomsten op de site van de belastingdienst en voortgangsrapportage Verklaring van verrichten van opdracht en gebruik van de overeenkomsten Geen kopie van het id-bewijs van de zzp-er nodig!


NCJ (Nederlands Centrum Jeugdgezondheid)

NCJ (Nederlands Centrum Jeugdgezondheid)   Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) is het innovatie- en kenniscentrum voor de jeugdgezondheidszorg in Nederland. Het NCJ stimuleert vernieuwing van het vak, zet jeugdgezondheid op de agenda en maakt beproefde kennis toegankelijk.   Het NCJ ontwikkelt, implementeert en gebruikt wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen, en heeft daar een speciale pagina op hun website voor ontwikkeld. De richtlijnen zijn weliswaar ontwikkelt voor JGZ-medewerkers maar kunnen zeker ook interessant voor uw (kraam)zorgorganisatie zijn (bijv. de multidisciplinaire richtlijn borstvoeding).   Klik hier voor de website van het NCJ.  


Nederlandse Beroepsvereniging voor Kraamverzorgenden (NBvK)

Nederlandse Beroepsvereniging voor Kraamverzorgenden (NBvK) www.nbvk.nl   De NBvK maakt zich al vanaf de oprichting sterk voor een goede kwaliteit van de kraamzorg. Om zo het beroep in stand te houden, het werkplezier van kraamzorgverzorgenden te bevorderen en mogelijk maken dat het unieke Nederlandse systeem van thuis bevallen blijft bestaan.   In 2009 heeft de NBvK een eigen Kwaliteitsregister opgezet. In 2012 heeft de NBvK samen met brancheorganisaties ActiZ en BTN, nu Bo Geboortezorg, het Kenniscentrum Kraamzorg gelanceerd. Het Kwaliteitsregister is daarin ondergebracht. Binnen de NBvK zijn drie werkgroepen actief op het gebied van Kwaliteit & Inhoud, werken in loondienst en ZZP.   Daarnaast hecht de NBvK nog steeds veel belang aan een goede scholing en bijscholing van kraamverzorgenden. Leden kunnen met korting allerlei gespecialiseerde opleidingen volgen.


Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) www.nza.nl   De Nederlandse Zorgautoriteit is een zelfstandig bestuursorgaan dat toezicht houdt op de markten voor zorg. Zij maakt en bewaakt goed werkende zorgmarkten samen met de sector waarin ook de belangen van de consument centraal staan. Door de intrede van marktwerking hebben zorgaanbieders en zorgverzekeraars meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheid. Streven is dan ook dat waar het kan, eigen verantwoordelijkheid genomen wordt. Uiteraard zijn er wel regels en dient verantwoording afgelegd te worden. En als de belangen van de consument in het geding komen, grijpt de NZa in.   Rollen NZa De NZa is marktmeester in de zorg. Haar belangrijkste taken zijn: advisering, regulering en toezicht en handhaving.   Advisering De NZa adviseert de minister en de staatssecretaris van VWS, gevraagd en ongevraagd. Deze adviezen gaan bijvoorbeeld over mogelijke verbeteringen in de wetten en regels in de zorg. De adviezen worden gebaseerd op onderzoek en analyses van feiten en cijfers in de zorg. De bewindslieden besluiten vervolgens zelf of ze deze adviezen overnemen of niet. Regulering De NZa stelt regels, budgetten en tarieven vast voor dat deel van de zorg dat is gereguleerd en stelt condities voor marktwerking vast, die geheel of gedeeltelijk geliberaliseerd kunnen worden. De NZa heeft onder meer als taak om voor tarief-gereguleerde zorgmarkten kostendekkende tarieven vast te stellen en waar nodig te voorzien van een herijking. Zij voert onder andere kostenonderzoeken uit en marktscans. Deze onderzoeken hebben directe en indirecte effecten op uw organisatie. Een marktscan geeft op systematische wijze een beeld van de stand van zaken op een bepaalde markt of een gedeelte van de markt. En aan de hand van een kostenonderzoek wordt  een tarief vastgesteld. Het ministerie van VWS stelt jaarlijks op advies van de NZa maximum tarieven vast. Dit betekent dat de zorgverzekeraars/zorgkantoren zorg kunnen inkopen tegen een tarief dat het maximum niet overschrijdt. Zie ook hoofdstuk 4 Financiering.   Toezicht In het toezicht werkt de NZa samen met andere toezichthouders zoals Zorginstituut Nederland en de Inspectie Gezondheid en Jeugd (IGJ). Ook wordt samengewerkt met de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de FIOD om fraude met zorggeld op te sporen. Voor toezicht op fusies, concentraties en marktmacht werkt de NZa samen met de Autoriteit Consument en Markt. De NZa houdt toezicht op de volgende onderwerpen: Correcte declaratie van zorg door zorgaanbieders, Goede informatie door zorgaanbieders en zorgverzekeraars aan burgers, Goed bestuur, Zorgplicht van zorgverzekeraars, Concentraties en fusies in de zorg. Handhaving Handhaving is er op gericht om naleving van de wet en daarmee de werking van het stelsel te bewerkstelligen en te bevorderen. De NZa hanteert een combinatie van instrumenten om effectief toezicht te bereiken. Het wettelijk instrumentenpalet biedt de NZa mogelijkheden om algemene condities op zorgmarkten te stellen, zoals prestatiebeschrijvingen, kostentoerekeningsprincipes, slimme prijsplafonds en toezichtsregels. Daarnaast kan de NZa in individuele gevallen optreden, zoals bij een aanbieder met aanmerkelijke marktmacht, als daardoor de concurrentieverhoudingen worden verstoord. De NZa wil een goede verhouding aanbrengen tussen optreden via het stellen van algemene condities en optreden in individuele gevallen. Dat moet een zodanige mix zijn, dat effectief en 'licht' optreden hand-in-hand gaan.


Patiëntenfederatie Nederland

Patiëntenfederatie Nederland www.patientenfederatie.nl   Patiëntenfederatie Nederland (voorheen NPCF) vertegenwoordigt ruim 200  patiënten. De patiëntenfederatie zet zich in voor betere, veilige en betaalbare zorg. Zo is de patiëntenfederatie, net als de consumentenbond en het LOC, betrokken bij het afsluiten van de algemene leveringsvoorwaarden Kraamzorg.   Dankzij de inbreng van ruim 23.000 leden van het zorgpanel, de vragen en ervaringen die patiënten melden bij de Zorglijn en de beoordelingen op ZorgkaartNederland.nl heeft de patiëntenfederatie Nederland in beeld wat volgens patiënten goed gaat in de zorg en wat er beter kan. De belangrijkste onderwerpen waar de patiëntenfederatie Nederland zich mee bezighoudt zijn: Patiëntveiligheid Kwaliteit van zorg. Patiëntenrechten. Keuzes in de zorg en keuze-informatie. Zorgkosten en betaalbare zorg. Ouderen- en langdurige zorg. Digitale zorg. Beschikbaarheid medicijnen Zorgevaluatie Duidelijke informatie over zorgverzekeringen Gegevensuitwisseling Juiste zorg op de Juiste plek Patiëntenparticipatie Samen beslissen Patiëntenfederatie Nederland komt op voor alle mensen die zorg nodig hebben. Dat doen wij door zelf beleid te ontwikkelen en dat van andere organisaties en beslissers te beïnvloeden. Patiëntenfederatie Nederland geeft patiënten een stem: in de spreekkamer, in de politiek, bij de zorgverzekeraar en in het nieuws. Op basis van de ervaringen van mensen zorgen we dat de zorg beter aansluit bij wat mensen vragen. Onze informatie helpt mensen bij het maken van keuzes in de zorg door praktische informatie, (keuze)hulpmiddelen en ervaringen van anderen te delen.   De Patiëntenfederatie is o.a. een van de partners in het College Perinatale Zorg en in het tripartite overleg in het kader van de kwaliteitsverantwoording. De Patiëntenfederatie is bezig met het opstellen van een nieuwe richtlijn over omgaan met pijn tijdens de bevalling. Hierin staan aanbevelingen voor zorgverleners. Daarnaast streven ze naar meer aandacht voor de wensen en behoeftes van zwangere vrouwen en meer keuzevrijheid.


Pensioen

Pensioen Pensioen is een inkomen voor de tijd dat men niet meer werkt op latere leeftijd of niet meer kan werken wegens arbeidsongeschiktheid. Vaak maakt ook een uitkering aan eventueel achterblijvende partners deel uit van een pensioenregeling.   Het Nederlandse Pensioenstelsel: (gezien vanuit de werknemer) Bron: website PFZW     Pensioenwet De Pensioenwet waarborgt de pensioenaanspraken die tussen werkgever en werknemer zijn overeengekomen. Inhoudelijk regelt de Pensioenwet onder meer de volgende zaken: verantwoordelijkheidsverdeling tussen verschillende partijen gelijke behandeling verbod op afkoop recht om pensioenaanspraken mee te nemen naar een andere baan recht op informatie pensioenfondsbestuur en medezeggenschap financieel toezicht   Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) PFZW is een bedrijfstakpensioenfonds en voert de pensioenregelingen uit van werknemers in de sector Zorg en Welzijn. Werkgevers- en werknemersorganisaties hebben hierom gevraagd en zijn voldoende representatief voor de bedrijfstak. De sector Zorg en Welzijn heeft, net zoals sommige andere sectoren, een eigen pensioenregeling waar iedereen uit de sector aan deelneemt. Als werkgever binnen de sector Zorg en Welzijn bent u verplicht aan deze pensioenregeling deel te nemen. Het is dus niet mogelijk het pensioen voor uw medewerkers te regelen via een ander pensioenfonds/-verzekeraar. De overheid wil met verplichte deelname zorgen voor onderlinge solidariteit. Werknemers kunnen binnen de bedrijfstak eenvoudig van baan wisselen zonder dat dit gevolgen heeft voor hun pensioen. Door de voordelen van deze collectieve regeling kunnen veel werknemers in Nederland een goed pensioen opbouwen. U en uw werknemers betalen samen de premie. Voor die premie krijgen uw medewerkers pensioenopbouw terug. Zie ook de website van PFZW www.pfzw.nl.   PGGM Pensioenfonds Zorg en Welzijn heeft voor de uitvoering een contract gesloten met uitvoeringsorganisatie PGGM. Deze draagt zorg voor de uitvoering van de collectieve pensioenregeling in de sector zorg en welzijn en voor het vermogensbeheer. PGGM is de coöperatieve pensioenuitvoeringsorganisatie, zij verlenen aan diverse pensioenfondsen, waaronder PFZW, en de aangesloten werkgevers en werknemers diensten op het gebied van pensioenbeheer, integraal vermogensbeheer en bestuurlijke advisering. Zie ook www.pggm.nl.   Uniform PensioenOverzicht (UPO) Mijnpernsioenoverzicht.nl verzamelt pensioengegevens bij de Sociale Verzekeringsbank en de pensioenuitvoerders zodat iedereen persoonlijk een helder en eenvoudig overzicht heeft van zijn of haar pensioen. Op deze website dient ingelogd te worden via DigiD, wat de privacy waarborgt. Op mijnpensioenoverzicht.nl kan iedereen persoonlijk zien bij welke pensioenuitvoerders pensioen is opgebouwd en wat de hoogte daarvan is. Mijnpensioenoverzicht.nl wordt verzorgd door de Stichting Pensioenregister. De Stichting Pensioenregister is een samenwerkingsverband tussen de Sociale Verzekeringsbank en alle pensioenuitvoerders (pensioenfondsen en pensioenverzekeraars) in Nederland. MijnPFZW PFZW biedt zelf ook een dergelijke dienst aan. Medewerkers in de sector zorg kunnen in MijnPFZW hun UPO én hun actuele pensioen zien. Hierin krijgt men ook zicht op het pensioen plus AOW en kunnen de bedragen van bruto naar netto omgerekend worden. Ze zien ook welke keuzemogelijkheden er zijn en ze kunnen uitrekenen welk effect deze hebben op hun pensioen. Daarnaast kunnen ze hier zelf hun pensioenzaken regelen en wijzigingen doorgeven.   Aansluiten bij PFZW Via de website van PFZW > tab werkgevers kunt u via de onlinedesk uw pensioenadministratie indienen en beheren. U kunt ook via deze link het formulier ‘aanvraagformulier aansluiting Pensioenfonds Zorg en Welzijn’ downloaden. Dat formulier dient u in te vullen en te sturen naar Pensioenfonds Zorg en Welzijn, Postbus 117, 3700 AC ZEIST. Uw aanvraag wordt dan in behandeling genomen en er wordt contact met u opgenomen.  


Personeelsadministratie

Personeelsadministratie   Voor iedere werknemer in uw organisatie dient u een personeelsdossier samen te stellen. In een personeelsdossier houdt u de arbeidsgeschiedenis bij van uw werknemers. Bij de indiensttreding maakt u een dossier aan. U noteert hier onder andere in hoe iemand functioneert en wat voor verbeterpunten er zijn. Op die manier kunt u sturen op ontwikkeling en wanneer het mis gaat kunt u hier op terugvallen. Een dossier bestaat uit drie onderdelen; het individuele personeelsdossier, het salarisdossier (zie hiervoor de paragraaf over de loonadministratie) en het collectief personeelsdossier.   Personeelsdossier Er zijn een aantal zaken die in het individuele personeelsdossier opgenomen moeten worden, echter mogen niet meer gegevens dan noodzakelijk vastgelegd worden. Persoonlijke gegevens Naam, adres, geboortedatum en –plaats, huwelijkse staat, bank- of gironummer Sollicitatiebrief en CV Kopieën van diploma’s (BIG-registratie) Kopie van het identiteitsbewijs, let op, bij paspoorten uitgegeven in 2016 of later staat het BSN-nummer op de achterkant en dient u dus ook een kopie van de achterkant te maken. Verklaring Omtrent Gedrag (VOG): niet verplicht voor alle functies maar kan wenselijk zijn. BSN-nummer Werkvergunning (bij een buitenlandse werknemer) Rechtspositie Aanstellingsbrief Arbeidsovereenkomst met daarin de schriftelijk vastgelegde afspraken Huisreglement (ondertekend) Functioneren Functieomschrijving Promotie Verslagen van beoordelings- en functioneringsgesprekken Afspraken over opleidingen Berispingen / waarschuwingen Loopbaanontwikkeling Eventueel diversen Geboortekaartjes (i.v.m. datum bevallingsverlof) Trouwkaart (i.v.m. pensioengegevens partner) Correspondentie met werknemer   Collectief personeelsdossier In het collectieve personeelsdossier bewaart u de volgende gegevens van alle medewerkers: ziek- en herstelmeldingen; vakantieregistratie per medewerker. Vertrouwelijk Een personeelsdossier bevat veel persoonlijke gegevens, dus moet ook passend beveiligd zijn. Ook bepaalt u wie inzage heeft en wie de personeelsdossiers beheert. Over het algemeen hebben de volgende personen inzage in de personeelsdossier: de personeelsfunctionaris; de direct leidinggevende; de medewerker zelf (onder begeleiding).   Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) Wat mag en niet mag met persoonsgegevens is geregeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Zie u hiervoor paragraaf 2.20 van de basismap.   Schema bewaartermijnen persoonsgegevens NB. De AVG bepaalt niet de bewaartermijnen voor personeelsgegevens. De belastingwetgeving zegt hier wel iets over.     Schema bewaartermijnen persoonsgegevens   Soort document Bewaartermijn Bewaren vanaf   Minimaal Maximaal   Algemene informatie over de werknemer: naam, geboortedatum, BSN-nummer, adres 2 jaar Het jaar volgend op het ingaan van het dienstverband   Opgaaf gegevens voor de loonheffingen en de aanvraag van toepassing loonheffing door de werknemer 5 jaar Einde dienstverband   De kopie van het identiteitsbewijs, tewerkstellingsvergunning, vreemdelingenpaspoort of vluchtelingenpaspoort 5 jaar Einde dienstverband   Arbeidsovereenkomst en wijzigingen hierin - 7 jaar Einde dienstverband   Loonadministratie (loon, belasting, sociale verzekeringsafdracht, loonstrookjes, overwerk en compensatie daarvoor, bonussen, kosten, voordelen in allerlei opzichten) 7 jaar Einde dienstverband   Ontslagvergoeding en berekeningen, officiële administratie met betrekking tot het ontslag (bijvoorbeeld toestemming UWV en correspondentie), rechterlijke ontslagbeslissingen, detacheringverslagen 7 jaar 2 jaar Minimale termijn uitgaande van het jaar volgend op het jaar van het ingaan van het dienstverband. Maximale termijn eindigt twee jaar na einde dienstverband   Zakelijke gegevens, documenten en datadragers ten aanzien van pensioenregelingen en aanverwante onderwerpen. 7 jaar Het fiscale jaar volgend op het einde dienstverband   Afspraken die te maken hebben met OR-werk - 2 jaar Eind lidmaatschap OR   Loonbeslag - Tot opheffing -   Verslagen van functionerings- en beoordelingsgesprekken en correspondentie over benoeming, ontslag, promotie en degradatie - 2 jaar*   Einde dienstverband     Documenten of kopieën ontvangen bij het behalen van trainingen, cursussen of opleidingen - 2 jaar*   Einde dienstverband   Verslaglegging in verband met Wet Verbetering Poortwachter en alle administratie ten aanzien van ziekteverzuim - 2 jaar Einde dienstverband   Sollicitatiegegevens (brieven, formulieren, getuigschrift, verklaring omtrent gedrag, referenties). - 4 weken / 1 jaar Na afloop sollicitatie (Zonder toestemming van sollicitant 4 weken. Met toestemming 1 jaar) * (Eventueel langer in geval van rechterlijke bewaarplichten)  


SectorplanPlus

SectorplanPlus   Wat? SectorplanPlus is een meerjarige subsidie van het Ministerie van VWS voor werkgevers in Zorg en Welzijn om een extra impuls te geven aan opleidingsprojecten. Dit kunnen opleidingsprojecten zijn die zijn gericht op nieuwe instroom, met ontslag bedreigde werknemers en opscholing binnen de organisatie via kwalificerende scholing of opleidingen tot praktijkbegeleiders. Om deel te nemen aan het SectorplanPlus dient de organisatie ook aan te sluiten bij het ‘Regionaal Actieplan Aanpak Tekorten (RAAT)’.   Let op! Vanwege de coronacrisis heeft VWS een extra categorie subsidiabele activiteiten toegevoegd aan de subsidie SectorplanPlus om het extra aanbod van zorgprofessionals tijdens corona te stimuleren. Dit houdt in dat alle werkgevers in Zorg & Welzijn de subsidie ‘extra instroom’ kunnen aanvragen; een bijdrage voor inwerk – en (bij)scholingskosten Dit kan ook wanneer de organisatie nog geen aanvraag voor het SectorplanPlus voor tijdvak 4 heeft ingediend.   Voor wie? SectorplanPlus kan worden aangevraagd door arbeidsorganisaties actief in de sector zorg- en welzijn waarvan de activiteiten geheel of gedeeltelijk bekostigd worden uit hoofde van: Wet langdurige zorg (Wlz) Zorgverzekeringswet (Zvw) Jeugdwet Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) Wet Publieke Gezondheid (Wpg)   Subsidiabele activiteiten? De opleidingstrajecten die voor subsidie in aanmerking moeten gericht zijn op professionals die de zorg of welzijn verlenen aan de cliënten (het primair proces). De deelnemer van het opleidingstraject moet behoren tot één van de volgende doelgroepen: Werknemers minder dan 1 jaar in dienst Met ontslag bedreigde werknemers Werknemers die een kwalificerende opleiding volgen, om daarbij ruimte te creëren voor nieuwe instroom (opscholing) Praktijk- en werkbegeleiders   Voor de genoemde groepen van deelnemers komen de volgende activiteiten in aanmerking voor subsidie: Kwalificerend Beroepsonderwijs: mbo beroepsbegeleidende leerweg (BBL) Kwalificerend Beroepsonderwijs: hbo duaal Training en opleiding: lang (minimaal 16 dagen) Training en ontwikkeling: middellang (vanaf 5 tot en met 15 dagen) Training en ontwikkeling: kortdurend (tot en met 4 dagen)   Hoeveel? Per tijdvak van SectorplanPlus stelt VWS vooraf een budget vast. In totaal is het subsidiebudget € 320 miljoen, verdeeld over 5 jaar. In totaal stelt het ministerie van VWS 130 miljoen euro voor het 4de tijdvak (1 jan 2020-31 dec 2021) beschikbaar. Van de € 320 miljoen is € 260 miljoen beschikbaar gesteld voor de verpleeghuiszorg en € 60 miljoen voor de overige sectoren.  Het maximale subsidiebedrag per organisatie is € 2 miljoen per organisatie, per tijdvak.  De subsidie die per tijdvak van SectorplanPlus beschikbaar is gesteld, wordt via een verdeelsleutel verdeeld over de regio’s en de organisaties die een aanvraag indienen   Wanneer? In december 2019 konden organisaties voor tijdvak 4 een aanvraag indienen voor SectorplanPlus. Momenteel kan er alleen nog een aanvraag worden ingediend voor de subsidie ‘extra instroom’ (extra bijdrage inwerk – en (bij)scholingskosten) wat is geïntroduceerd vanwege de coronacrisis.   Voor meer informatie klik hier, en voor aanvraag klik hier.   Voorwaarden? Om deel te nemen aan het SectorplanPlus dient de organisatie ook aan te sluiten bij het ‘Regionaal Actieplan Aanpak Tekorten (RAAT)’.   Meer informatie Meer informatie vindt u hier.


SLIM

SLIM: Subsidieregeling leren en ontwikkelen in het MKB    Wat? Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft vanaf dit jaar € 48 miljoen beschikbaar voor initiatieven gericht op stimuleren van leren en ontwikkelen in het MKB. Dit is niet enkel voor de zorgsector, maar kan wel door zorgorganisaties worden aangevraagd.   Voor wie? MKB ondernemers en samenwerkingsverbanden   Wie zijn MKB-ondernemers? Ondernemers die volgens de EU-definitie kleine of middelgrote ondernemers zijn komen in aanmerking voor een subsidie:   Hoeveel? Maximaal €24.999 (samenwerkingsverbanden tot max €500.000,-) De subsidie wordt verleend op basis van cofinanciering. De subsidie bedraagt 60 procent van de subsidiabele kosten voor middelgrote bedrijven. Er geldt een uitzondering voor een klein bedrijf, hiervoor bedraagt de subsidie 80 procent van de subsidiabele kosten. De subsidiabele kosten moeten tenminste € 5.000 of meer bedragen. Wanneer? Er zijn twee tijdvakken gepland in 2020 waarin subsidie kan worden aangevraagd. Eerste tijdvak:  2 maart t/m 31 maart 2020. Tweede tijdvak: 1 september t/m 30 september 2020, 17:00 uur. Een initiatief heeft een looptijd van maximaal 12 maanden. Initiatieven moeten binnen drie maanden na toekenning starten. Waarvoor? De doorlichting van de onderneming uitmondend in een opleidings- of ontwikkelplan gericht op het inzichtelijk maken van de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de onderneming; Het verkrijgen van loopbaan- of ontwikkeladviezen ten behoeve van werkenden in de onderneming, of in geval van een samenwerkingsverband werkenden in andere mkbondernemingen; Het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een methode in de onderneming die werkenden in de onderneming stimuleert hun kennis, vaardigheden en beroepshouding verder te ontwikkelen tijdens het werk; of Het gedurende enige tijd bieden van praktijkleerplaatsen ten behoeve van een beroepsopleiding of een deel daarvan in de derde leerweg bij een door het Ministerie van OCW erkend leerbedrijf. Bo is ook over deze subsidie in gesprek over de mogelijkheden het te verbreden naar door het CZO erkende opleidingen. Helaas komen organisaties die opleidingen via een CZO erkende opleider aanbieden nu niet in aanmerking voor het subsidieonderdeel ‘praktijkleerplaatsen’. Welke kosten zijn subsidiabel? Voor subsidie komen in aanmerking noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering en het beheer van het project, toe te rekenen kosten. Het gaat hierbij om de werkelijk gemaakte en door de aanvrager of een samenwerkingspartner betaalde kosten. De kosten moeten direct te relateren zijn aan de uitvoering van de subsidiabele activiteiten in het kader van de SLIM regeling. In artikel 12 van deze subsidieregeling is bepaald dat de volgende kosten subsidiabel zijn: externe kosten; Kenmerkend voor externe kosten is dat het kosten betreffen van activiteiten die verricht worden door derden. Onder derden wordt verstaan: externe organisaties en of personen die geen deel uitmaken van de organisatie van de aanvrager en of een andere organisatie van het samenwerkingsverband. directe loonkosten; Loonkosten komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze aantoonbaar ten behoeve van de subsidiabele activiteiten, waaronder ook projectcoördinatie en -administratie, gemaakt zijn en berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren. toeslag van 15% op de directe kosten; Bovenop de directe kosten wordt een toeslag van 15% (flat rate) berekend. Deze toeslag is bedoeld om indirecte kosten te subsidiëren. Onder indirecte kosten vallen bijvoorbeeld exploitatiekosten, reiskosten, kosten voor een werkplek, ontwikkelkosten, afschrijvingskosten et cetera. Deze kosten mogen dan ook niet afzonderlijk worden gedeclareerd.De kosten die worden gesubsidieerd door middel van de flat rate hoeven niet te worden verantwoord   Zelf doen of externen inhuren? De subsidieaanvrager (en eventueel een partner in een samenwerkingsverband) heeft de vrijheid om zelf te kiezen of hij alle werkzaamheden in het kader van het project zelf uitvoert of dat hij ervoor kiest bepaalde opdrachten door derden te laten uitvoeren. Indien ervoor wordt gekozen een deel van de uitvoering uit te besteden, dient er zorg voor te worden gedragen dat de prijs voor deze opdracht marktconform is.   Informatie Klik hier voor de eisen waar u aan moet voldoen. Meer algemene informatie vindt u hier.


Stagefonds Zorg

Subsidieregeling Stagefonds Zorg   Wat? Het Stagefonds Zorg heeft als doel om het aantal stageplaatsen bij zorgaanbieders te vergroten en de begeleiding van stagiairs te verbeteren   Voor wie? Het Stagefonds is voor zorginstellingen die stageplaatsen aanbieden aan studenten die een verpleegkundige, verzorgende of sociaal agogische opleiding volgen.   Hoeveel? De subsidie voor een BOL opleiding bestaat uit een tegemoetkoming in de begeleidingskosten en voor een BBL opleiding uit een tegemoetkoming in de loonkosten. Het budget voor het studiejaar 2019-2020 is € 112 miljoen. Het bedrag per fulltime (fte) stageplaats is afhankelijk van de categorie en van het totale aantal stageplaatsen in een schooljaar. Dit wordt in november berekend nadat alle aanvragen zijn ingediend en beoordeeld. De subsidie wordt aan het eind van het kalenderjaar uitgekeerd aan de zorginstellingen   In de week van 5 oktober wordt meer bekendgemaakt over de mogelijke impact die het coronavirus heeft op de beslistermijn van de subsidieaanvraag.   Wanneer? Vanaf 21 augustus 2020 tot 1 oktober 2020 kon u  een subsidie aanvragen voor het schooljaar 2019-2020. U ontvangt van DUS-I een brief met de link naar het voor ingevulde, online aanvraagformulier en een persoonlijke code. Aanvragen die na 1 oktober 2020 worden ingediend, worden afgewezen. Begin dus op tijd met uw aanvraag. De regeling vervalt op 1 augustus 2021.   Voorwaarden? Stageaanbieders moeten voldoen aan de voorwaarden: De stageaanbieder levert zorg op basis van een van de volgende wetten: 1. Wet langdurige zorg (Wlz) 2. Jeugdwet 3. Zorgverzekeringswet (Zvw, alleen basispakket) 4. Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) 5. Wet publieke gezondheid (GGD De stageaanbieder moet een SBB erkend leerbedrijf zijn voor de opleidingen die gevolgd worden door de stagiaires van het mbo. Er kan alleen subsidie worden aangevraagd voor stagiaires die stage lopen in het kader van een in de regeling opgenomen volledige opleiding. Dat is onder andere Crebo opleiding Verzorgende IG.   Meer informatie Voor meer informatie klik hier. Ook is er een Q&A beschikbaar gesteld.  


STAP-budget

STAP-budget: Stimulans Arbeidsmarktpositie   Wat? Subsidie voor scholingsactiviteiten te volgen ter versterking van hun arbeidsmarktpositie   Voor wie? Iedereen. Het is een publiek individueel leer- en ontwikkelbudget. Dit budget geeft burgers de financiële mogelijkheid zelf een cursus of opleiding te kiezen.   Met het STAP-budget van € 1.000,- (inclusief btw) krijg je de mogelijkheid om in je eigen ontwikkeling te investeren. Je kunt dit budget inzetten om bijvoorbeeld een sector-erkend certificaat te halen of een cursus te volgen   Hoeveel? De subsidie voor een scholingsactiviteit bedraagt 100% van de subsidiabele kosten van de scholingsactiviteit, tot een maximum van € 1.000,- inclusief BTW.   Om misbruik en oneigenlijk gebruik te beperken wordt het subsidiebedrag direct aan de opleider betaald. Verder is de subsidie gemaximeerd tot een bedrag van € 1.000 en zijn de bestedingsdoelen beperkt tot scholingsactiviteiten van opleider die zijn erkend of een keurmerk hebben   Er wordt nu gesproken over een jaarlijks totaalbudget van €218 miljoen waarmee er jaarlijks ruimte is voor circa 200.000 toekenningen. Daarnaast gebeurt toekenning van het STAP-budget op basis van het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’.   Wanneer? Vanaf 1 januari 2022 komt het STAP budget in plaats van de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven. Subsidieaanvragen zullen verdeeld worden over 6 tijdvakken. Het UWV wordt uitvoerder van de regeling.   Wat moet u doen bij een aanvraag? Voor de aanvang van een scholingsactiviteit moet de subsidieaanvraag worden ingediend. Daarin wordt opgenomen: de scholingsactiviteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd; een bewijs van aanmelding; het bedrag dat door de opleider in rekening wordt gebracht; de startdatum van de scholingsactiviteit en de verwachte datum van afronding van de scholingsactiviteit, zoals vastgesteld door de opleider; het doel van de scholingsactiviteit;   Subsidiabele kosten De subsidiabele kosten zijn alle kosten die door het opleidingsinstituut in rekening worden gebracht voor het volgen van de scholingsactiviteit (les-, cursus-, of examengeld). Subsidiabele kosten zijn ook kosten voor verplichte leermiddelen en beschermingsmiddelen die apart in rekening worden gebracht door het opleidingsinstituut.   Overige kosten die verband houden met de scholingsactiviteit, zoals de kosten voor boeken en andere materialen die niet zijn inbegrepen in de kosten van de opleider, komen niet in aanmerking voor subsidie. Deze kosten zijn voor rekening van de aanvrager.   Meer informatie Klik hier voor meer informatie.   Verhouding andere regelingen Datzelfde geldt voor de SLIM-regeling en het STAP-budget. Het STAP-budget is een persoonlijk ontwikkelbudget en richt zich op het individu. Het STAP-budget is bedoeld voor de opleidingskosten die een individu maakt. De SLIM-regeling daarentegen is bedoeld voor alle mkb-ondernemers en specifiek voor grootbedrijven in de sectoren landbouw, horeca en recreatie. De subsidie op grond van de SLIM-regeling is bedoeld voor de kosten die deze ondernemers maken bij het creëren van een leerrijke werkomgeving. Opleidingskosten, die met het STAP-budget worden betaald, worden niet gesubsidieerd met de SLIM-regeling. Welke opleiders kunnen hier aan mee doen: scholingsactiviteit: a. opleiding of training, niet zijnde een bedrijfsspecifieke training, die: wordt aangeboden door een opleidingsinstituut dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkend onderwijs verzorgt en die leidt tot een diploma of certificaat, dan wel verband houdt met onderdelen van een door deze minister vastgesteld kwalificatiedossier, vastgestelde kwalificatie of een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie geaccrediteerde opleiding; leidt tot een door het Nationaal Coördinatiepunt NLQF ingeschaalde kwalificatie, die is opgenomen in het NCP-register; wordt gegeven door een opleidingsinstituut, een trainingsbureau, een EVC aanbieder of examenaanbieder die in het bezit is van het NRTO-keurmerk; een EVC-procedure, uitgevoerd door een EVC-aanbieder; bedrijfsopleidingen, niet zijnde bedrijfsspecifieke opleidingen, waaronder mede begrepen cursussen of trainingen, gericht op het bijhouden of vergroten van vakkennis of het aanleren van extra vaardigheden, die leiden tot een branchecertificaat uitgegeven door een door de branche erkende organisatie.    


Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte: 'Een goed begin'

Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte: 'Een goed begin'   In 2010 bracht de Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte (SZG) haar advies ‘Een goed begin’ uit om de geboortezorg in Nederland te verbeteren. Zij deed dit op verzoek van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en naar aanleiding van verontrustende cijfers over de relatief hoge perinatale sterfte in Nederland (sterfte in de zwangerschap of rond de geboorte). Het uitvoeren van de aanbevelingen uit het advies is een taak voor het veld. Dit moet gebeuren onder regie van het College Perinatale Zorg dat de Minister in september 2011 heeft ingesteld.   De inspectie onderzocht in de periode 2011 -2014 wat de stand van zaken is en in juni 2014 heeft IGZ daarover gerapporteerd in de vorm van een samenvattend eindrapport en diverse deelrapporten. De minister heeft op 17 juni 2014 de rapportage aangeboden aan de Tweede Kamer. Hieronder treft u de downloads aan.   Brief minister Schippers d.d. 17.06.14 bij de IGZ-rapportage  IGZ-rapport: Mogelijkheden voor verbetering geboortezorg nog onvolledig benut; Samenvattend eindrapport van het inspectieonderzoek naar de invoering van het Advies van de StuurgroepZwangerschap en Geboorte Deelrapport Verloskundige samenwerkingsverbanden: acute zorg veiliger, preventie is blijven liggen Deelrapport Verbetering nodig in de samenwerking tussen kraamzorg en JGZ voor verantwoorde geboortezorg Advies Stuurgroep 'Zwangerschap en geboorte': Een goed begin pdf


Subsidieregeling MKB!dee

Subsidieregeling MKB!dee   Wat? MKB!dee helpt ondernemers om te investeren in scholing en ontwikkeling van personeel. Ondernemers die een innovatieve oplossing hebben bedacht om de vaardigheden van hun personeel te verbeteren, kunnen een aanvraag indienen voor een financiële bijdrage.   Voor wie? Investeringen door mkb-ondernemers die leiden tot meer personeel in technische sectoren; Investeringen door mkb-ondernemers in menselijk kapitaal met het oog op digitalisering; Investeringen door mkb-ondernemers in menselijk kapitaal met het oog op de klimaat-en energietransitie;   Hoeveel? De minimale deelname aan een project per deelnemer (= het minimale subsidiebedrag) bedraagt € 25.000, het maximale bedrag is € 125.000 inclusief BTW. Voor samenwerkingsverbanden bedraagt de subsidie maximaal € 200.000. Voor de deelnemers onderling gelden dezelfde bedragen als voor individuele deelnemers: minimaal € 25.000 en maximaal € 124.999. Projecten met hogere kosten komen ook in aanmerking voor een subsidie maar met bovenstaande maximum bedragen.   Subsidiabele kosten? Subsidiabele kosten zijn alle redelijk gemaakte kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van het project. Dit zijn bijvoorbeeld loonkosten van de aanvrager of kosten die de aanvrager maakt voor het inschakelen van derden. Er zijn geen specifieke kostensoorten uitgesloten.   Wanneer? Ondernemers die een innovatieve oplossing bedenken om de vaardigheden van hun personeel te verbeteren, kunnen vanaf 20 oktober 2020 een aanvraag indienen voor een financiële bijdrage.   In de openstellingsregeling is opgenomen dat de aanvraagperiode sluit op 15 december 2020, maar het ministerie van EZK is voornemens de aanvraagperiode te verlengen tot 19 januari 2021. EZK streeft er naar deze verlenging in oktober te publiceren. De hoogst gerangschikte aanvragen komen in aanmerking voor subsidie, tot het moment dat het subsidieplafond wordt bereikt. De uitslag wordt in het voorjaar van 2021 bekend gemaakt.   Verdeling subsidie? Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen. Een aanvraag wordt een hoger gerangschikt naarmate: het project meer bijdraagt aan de verwezenlijking van het doel; het project naar verwachting kwalitatief beter is; het project vernieuwender of origineler is voor de bij de aanvraag betrokken MKB-ondernemers; de verwachte projectresultaten een grotere bijdrage leveren aan: 1. het oplossen van belemmeringen die leiden tot meer en beter inzetbaar personeel in technische en ICT sectoren; 2. menselijk kapitaal met betrekking tot digitalisering; 3. menselijk kapitaal met betrekking tot de klimaat- en energietransitie; of 4. het versterken van de leercultuur bij een kleine onderneming; de verwachte projectresultaten meer perspectief bieden voor toepassing bij andere MKB-ondernemers. Verplichtingen subsidieontvanger? Met de uitvoering van het project wordt gestart binnen twee maanden na de subsidieverlening. De subsidieontvanger verleent gedurende twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde project, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden Aanvragen? Hoe de subsidie kan worden aangevraagd is nog onbekend.   Meer informatie Klik hier voor meer informatie, en hier voor de publicatie van de regelgeving in de Staatscourant.   Verhouding tot andere regelingen De SLIM-regeling en MKB!dee dragen beide bij aan het stimuleren van leren en ontwikkelen in het mkb. Het MKB!dee is een experimentele regeling die mkb-ondernemers uitdaagt om te komen met (innovatieve) oplossingen voor belemmeringen, die hen verhinderen te investeren in scholing en ontwikkeling van werkenden. De SLIM-regeling biedt juist een structurele ondersteuning om een leerrijke werkomgeving te creëren waarin het up-to-date houden van vakkennis en vaardigheden vanzelfsprekend is. De SLIM-regeling en het MKB!dee versterken elkaar ook: zo kunnen projecten die zijn gestart vanuit het MKB!dee verder worden gebracht en opgeschaald met behulp van de SLIM-regeling.


Subsidieregeling Praktijkleren

Subsidieregeling Praktijkleren   Wat? De subsidie is een tegemoetkoming voor de kosten die een werkgever maakt voor de begeleiding van een leerling, deelnemer of student.   Voor wie? Bedrijven en instellingen die een praktijk- of leerwerkplaats aanbieden, kunnen in aanmerking komen voor de subsidieregeling Praktijkleren. Het moet gaan om een Crebo-opleiding. Dus bijvoorbeeld de 3 jarige VIG opleiding. En de organisatie moet een erkend leerbedrijf zijn.   Hoeveel? Het maximale subsidiebedrag is € 2.700 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats.   Wanneer? Tot 2023 stelt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) jaarlijks subsidie beschikbaar. Een aanvraag indienen voor studiejaar 2019 - 2020 was mogelijk van 2 juni, 9:00 uur tot en met 16 september 2020, 17:00 uur. Eind mei (2020) was het loket geopend voor de subsidieregeling praktijkleren voor het aanvragen van een voorschot voor praktijkleerplaatsen in het mbo. Het doel hiervan was werkgevers tijdens de coronacrisis tegemoet te komen voor al gemaakte kosten en te bevorderen dat praktijkleerplaatsen in het mbo kunnen blijven bestaan. Er kon alleen een voorschot worden aangevraagd voor de periode van de start van het schooljaar 2019/2020 tot het moment van invoering van de coronamaatregelen op 16 maart 2020.   Voor het studiejaar 2020 – 2021 is nog onbekend wanneer het loket voor aanvragen wordt geopend.   Klik hier voor het nieuwsbericht 'Voorschot subsidie praktijkleren voor mbo praktijkleerplaatsen' op de website van Bo.   Voorwaarden? Om in aanmerking te komen geldt: U biedt praktijkbegeleiding aan een deelnemer van een mbo opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg (mbo-bbl). Uw bedrijf of organisatie is voor de periode waarin de begeleiding heeft plaatsgevonden door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) erkend als leerbedrijf. De opleiding moet zijn gericht op een volledig diploma en zijn opgenomen in het Centraal register beroepsopleidingen (Crebo). Op de site van SBB vindt u meer informatie over alle crebo opleidingen en de van toepassing zijnde kwalificaties van een opleiding. Het buitenschools praktijkgedeelte bij uw bedrijf of organisatie omvat 610 klokuren. De onderwijsinstelling biedt 200 uren aan begeleide onderwijsuren aan. U heeft de praktijkbegeleiding van de deelnemer aangeboden op basis van een geldige en ondertekende praktijkleer overeenkomst. Deze overeenkomst is getekend door het erkende leerbedrijf, het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling en de deelnemer of zijn/haar wettelijk vertegenwoordiger. In deze overeenkomst staan in elk geval: de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming; het totaal aantal te volgen praktijkuren en de verdeling daarvan over de studiejaren; de begeleiding van de deelnemer; dat deel van de kwalificaties dat de deelnemer tijdens de beroepspraktijkvorming bij het bedrijf of de organisatie moet behalen en de beoordeling daarvan; de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden. U kunt alleen subsidie aanvragen voor de weken waarin daadwerkelijk begeleiding bij de beroepspraktijkvorming heeft plaatsgevonden. Om voor het maximale subsidiebedrag in aanmerking te komen moet in minimaal 40 weken begeleiding zijn verzorgd. Weken van afwezigheid door bijvoorbeeld ziekte of vakantie tellen niet mee als weken van begeleiding. Als voorbeeld: 20 weken begeleiding resulteert in een subsidiebedrag van 50% van € 2.700,00. Belangrijk is dat u in staat bent per deelnemer de vereiste administratie te verstrekken. Daarvoor geldt geen verplicht format. Met de administratie moet u voldoen aan de voorwaarden genoemd in de Subsidieregeling praktijkleren. Kijk op de pagina Administratie en controle voor meer informatie over de administratieve voorwaarden.   Voorwaarden voorschot: Wanneer u een voorschot aanvraagt, bent u ook verplicht om uiterlijk 16 september 2020 om 17:00 een definitieve aanvraag voor de subsidie praktijkleren in te dienen. Het voorschot verrekenen we met de definitieve subsidie. Wanneer u geen definitieve aanvraag indient, zal het voorschotbedrag worden teruggevorderd. Het voorschot kan alleen worden aangevraagd voor praktijkleerplaatsen in het mbo en niet voor categorieën vo/pro/vso, hbo en promovendi/toio’s; De aanvrager moet een door SBB erkend leerbedrijf zijn dat tijdens het studiejaar 20190/2020 één of meer BBL-studenten heeft begeleid;   Verhouding tot andere regelingen De Subsidieregeling praktijkleren is gericht op werkgevers die een praktijkleerplaats bieden te behoeven van een bbl-traject. Daarentegen is in de SLIM-regeling geregeld dat mkb-ondernemers subsidie kunnen krijgen voor het bieden van een praktijkleerplaats in de derde leerweg. De bbl en derde leerweg zijn twee verschillende leerwegen. De beroepsopleiding in de derde leerweg wordt niet bekostigd door het ministerie van OCW en komt nu nog vaak voor rekening van ondernemer en werknemer. De SLIM-regeling en de subsidieregeling praktijkleren vullen elkaar daarmee dus aan.   Meer informatie Voor meer informatie klik hier.


Subsidieregeling Zij-Instroom

Subsidieregeling Zij-Instroom   Wat? Een bijdrage in de kosten kan worden aangevraagd wanneer een mbo-opleiding een zij-instromer in staat stelt om via het zij-instroomtraject binnen 2 jaar zijn bevoegdheid te halen. Nieuw is dat opleiders/organisaties nu voor de sector mbo ook kunnen aanvragen voor een 1e of 2e graads bevoegdheid.   Voor wie? Voor alle onderwijssectoren. Voor elke onderwijssector is er een vast bedrag aan subsidie vastgelegd.  Na 15 oktober wordt gekeken of het budget van elke sector volledig is benut. Als er budget over is in 1 van de sectoren, dan wordt dit evenredig verdeeld over de sectoren waar aanvragen zijn afgewezen omdat het subsidieplafond is bereikt.   Hoeveel? De subsidie zij-instroom bedraagt € 20.000,- per zij-instromer. De subsidie wordt maar 1 keer per zij-instromer verstrekt. Voor het kalenderjaar 2020 is voor zij-instromers in het middelbaar beroepsonderwijs €14.000.000,- beschikbaar.   Wanneer? Tot en met 15 oktober 2020 kan de subsidie voor zij-instromers, die in 2019 of 2020 beginnen met hun scholing, worden aangevraagd. De subsidie kan pas worden aangevraagd nadat de zij-instromer is begonnen met de scholing.  De aanvragen worden vanaf 1 januari 2020 toegekend op volgorde van binnenkomst, totdat het subsidieplafond is bereikt. De afhandelingstijd na 1 januari 2020 is maximaal 8 weken.   Gesubsidieerde activiteiten? Subsidie wordt verstrekt voor de kosten van een zij-instromer voor het laten volgen van scholing. Bovendien worden de kosten voor de volgende activiteiten aangemerkt als kosten van een zij-instromer: Het laten uitvoeren van een geschiktheidsonderzoek van een zij-instromer; Het afgeven van een geschiktheidsverklaring aan een zij-instromer; Het geven van verlof aan een zij-instromer; Het begeleiden van een zij-instromer; Het laten uitvoeren van het bekwaamheidsonderzoek van een zij-instromer   Voorwaarden? Deze voorwaarden gelden om voor de subsidie in aanmerking te komen: U bent het bevoegd gezag van een bekostigde po-, vo-, (v)so- of mbo-instelling in Nederland. U neemt de zij-instromer tijdens het zij-instroomtraject in dienst of u leent de zij-instromer in. Voor het po, vo en vso moet de zij-instromer als 'zij-instromer' staan ingeschreven bij de opleiding. Dit geldt ook voor het mbo, als de zij-instromer een eerstegraads of tweedegraadsbevoegdheid gaat halen. De zij-instromer staat op het moment van de subsidieaanvraag niet ingeschreven als student aan een lerarenopleiding, en in de 2 jaar daarvoor ook niet. Stond de zij-instromer in die periode wel als student ingeschreven, maar heeft hij zijn diploma behaald? Dan geldt deze voorwaarde niet.   Meer informatie Voor meer informatie klik hier.    


Subsidieregelingen opleiden 2020

Subsidieregelingen opleiden 2020   Bo heeft voor haar leden de volgende subsidieregelingen op een rijtje gezet. De subsidieregelingen zijn met name van toepassing op het opleiden van kraamverzorgenden. Praktijkleren Sectorplanplus SLIM Stagefonds zorg STAP Zij-Instroom MKB!dee Hier vindt u een tijdslijn voor wanneer de betreffende regelingen opengaan.


Toezicht IGJ

Toezicht IGJ   Het is de primaire taak van IGJ toezicht te houden op de zorg zoals die geboden wordt in de WLZ en de ZVW. Dit toezicht is niet statisch en ontwikkelt mee met ontwikkelingen op het gebied van wet & regelgeving, maatschappelijke en politieke opvattingen over risico’s en verantwoordelijkheidstoedeling maar ook op basis van incidenten en meldingen.   Kraamzorgorganisaties zijn ondanks de WTZi-toelating niet verplicht tot verantwoording via het JMV. De inspectie heeft daardoor onvoldoende zicht op mogelijke risico’s op onverantwoorde zorg die verschillende toetreders leveren. Echter iedere zorgaanbieder valt onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en dus onder het toezicht van de inspectie. Omdat er geen registratieplicht bestaat, zijn alle organisaties moeilijk te traceren en kan de inspectie geen proactief toezicht houden. Wel bestaat de mogelijkheid om tot vrijwillige aanmelding bij het zorgregister van het CIBG. Door het invullen van een vragenlijst maakt u zich daarmee bekend en kan IGJ bepalen of eventueel aanvullende informatie gewenst is of dat de organisatie wordt bezocht. Meer informatie vindt u op www.zorgregister.nl   Jaarverantwoording Naast de eigen uitvraag destilleert de Inspectie ook informatie uit andere bronnen die medebepalend zijn voor het afleggen van een toezichtbezoek.  Zo ontvangt zij informatie vanuit de jaarverantwoording ( zie paragraaf 5.2); vooral de financiële situatie van een aanbieder kan aanleiding zijn om nader op een aanbieder in te zoomen.   Social media Sinds kort maakt IGJ ook gebruik van signalen op social media, zoals twitter en facebook. Slechte ervaringen en klachten van cliënten en medewerkers kunnen aanleiding zijn om een nader onderzoek te doen naar een zorgorganisatie.   Meldingen van calamiteiten door zorgaanbieders Zorgaanbieders zijn verplicht melding te maken van een calamiteit of seksueel misbruik  Hiervoor heeft IGJ een Leidraad meldingen opgesteld. In de leidraad is onderscheid gemaakt tussen verplichte meldingen, waar immer onderzoek op zal volgen, en andere meldingen, waarbij de IGJ aan de hand van in de leidraad opgenomen criteria eerst afweegt of het gaat om een melding die verder door haar dient te worden onderzocht. Voorts is geëxpliciteerd dat de IGJ, indien zij een melding onderzoekt, in principe de zorgaanbieder vraagt dit onderzoek allereerst zelf uit te voeren. Bovendien worden er aan dit onderzoek eisen gesteld; zo mag u de termijn van 6 weken niet overschrijden (sanctie: bestuurlijke boete). Ook voor de IGJ gelden eisen als de IGJ zelf onderzoek doet. Termijnen aan het onderzoek zijn in de nieuwe Leidraad duidelijker vastgesteld. De verplichting tot het melden van calamiteiten en seksueel misbruik geldt voor instellingen, niet voor solistisch werkende zorgaanbieders. De leidraad vindt u op www.igj.nl   Landelijk Meldpunt Zorg In de zomer van 2014 heeft de minister van VWS het Landelijk Meldpunt Zorg opgericht. Het is hét (klachten)meldpunt in de zorg waar burgers  terecht kunnen over de afhandeling van klachten over de kwaliteit van zorg. Het meldpunt werkt nauw samen met de IGJ en geeft aan hen ook meldingen door. De klachtafhandeling zelf behoort niet tot de taken maar wel het monitoren of dit volgens de geldende afspraken op een adequate wijze wordt afgehandeld door zorgaanbieders. In de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is adequate klachtafhandeling nader bepaald.   Op de website www.landelijkmeldpuntzorg.nl is te vinden op welke wijze burgers, zorgaanbieders en zorgverleners een melding kunnen doen. Het Landelijk Meldpunt Zorg gaat niet over klachten over zorgverzekeraars. Bij klachten over verzekeraars kan contact  opgenomen worden met de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeraars (SKGZ). Meer informatie vindt u op www.skgz.nl. Mishandeling in de zorg dient gemeld te worden bij het regionale Veilig Thuis. Meer informatie hierover vindt u op www.huiselijkgeweld.nl of www.vooreenveiligthuis.nl/ of www.informatiehuiselijkgeweld.nl   Toezicht in ontwikkeling Zoals gesteld is het toezicht door de Inspectie geen statisch proces. In 2011 is de IGJ vanuit haar toezichtsfunctie een keten breed themaonderzoek gestart naar de geboortezorg. Dit onderzoek is in 2014 afgerond. Een van de deelrapporten ging over samenwerking kraamzorg en JGZ, met name over vroegsignaleren en overdragen. Het afrondende eindrapport is in het voorjaar van 2016 verschenen. Het uitgangspunt van dit themaonderzoek is het Advies van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte, waarbij de focus ligt op de normen betreffende samenwerking, transparantie en acute zorg. Het onderzoek heeft als doel de risico’s binnen de geboortezorg terugdringen. Het rapport ‘Een goed begin’  van de stuurgroep Zwangerschap en Geboorte kunt u downloaden op de website www.goedgeboren.nl.   7 speerpunten ‘ Een goed begin’ In dit rapport worden 7 speerpunten geformuleerd waar de gehele keten van de geboortezorg mee aan de slag is of gaat. Moeder en kind in de hoofdrol Luister naar de verwachtingen, wensen en angsten van de zwangere en betrek actief haar leefomgeving. Hierdoor krijgt de zorg een lerend karakter waarin naast de medische ook de (psycho)sociale aspecten de juiste aandacht krijgen. ‘Gezond oud worden, begint al in de baarmoeder’ Vrouwen moeten gezonder aan een zwangerschap beginnen. Dit vereist een kanteling van een reactieve naar een meer proactieve benadering van de zorg rond zwangerschap en geboorte. Het betekent vooraf de best mogelijke condities voor een eventuele zwangerschap creëren en niet afwachten totdat zich tijdens de zwangerschap of bevalling risico’s voordoen. Goed geïnformeerde zwangere Ook de zwangere heeft een eigen verantwoordelijkheid om haar zwangerschap zo gezond en veilig mogelijk uit te dragen. Hierin moet zij worden ondersteund door heldere en een­duidige voorlichting over alle facetten van de zwangerschap, bevalling en kraamperiode Samen verantwoordelijk Alle professionals vormen een netwerk om samen een zo gezond en veilig mogelijke zorg rond zwangerschap en geboorte te bieden. Dit vereist bindende afspraken over kwaliteit, registratie, verantwoording en transparantie. Instrumenten daarvoor zijn: een landelijk College Perinatale Zorg, actieve participatie in verloskundige samenwerkingsverbanden, en voor iedere zwangere een casemanager, geboorteplan en verplicht huisbezoek. Specifieke en intensieve aandacht voor vrouwen uit achterstandssituaties Voor vrouwen woonachtig in achterstandswijken, van niet-westerse afkomst en/of met een lage sociaaleconomische status moet er aanvullend op de aanbevelingen uit dit advies, een nationaal programma ‘zwanger in achterstandssituaties’ komen. Met daarin doelgroepspecifieke voorlichting, preventie en intensivering van begeleiding. Bevallende vrouw niet alleen Vanaf het begin van de bevalling wordt de zwangere niet meer alleen gelaten. Zij wordt begeleid door een kraamverzorgende of O&G-verpleegkundige en bewaakt door een medisch professional. 24/7 beschikbaarheid en bereikbaarheid Op ieder moment, dus overdag, ’s avonds en in het weekend, moet de zwangere er op kunnen rekenen dat de noodzakelijke behandeling binnen 15 minuten kan starten.   Themaonderzoek geboortezorg Het grootschalig inspectieonderzoek naar de geboortezorg van de IGJ richtte zich op de veiligheid van zorg voor moeder en kind rond zwangerschap en geboorte en is uitgevoerd in 7 deel onderzoeken. De IGJ toetst het hele proces van de voorlichting in de preconceptieperiode, zorg tijdens zwangerschap, bevalling en kraambed tot en met de overdracht. 2 onderzoeken betroffen ook de Kraamzorg: ‘Geboortezorg aan asielzoekers’ Vraag die gesteld Is: Is er sprake van verantwoorde geboortezorg aan asielzoekers? Dit onderzoek heeft plaatsgevonden bij netwerken voor geboortezorg aan asielzoekers rond 9 van de 33 opvanglocaties in NL. De conclusie die getrokken is, is dat de inzet van professionele tolken en de overdracht bij overplaatsing beter moet. ‘ Samenwerking tussen Kraam en JGZ’ Doel hiervan was het door toezicht bevorderen dat de signalering, actie en overdracht tussen kraamzorg en JGZ op een verantwoorde wijze plaatsvindt. De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt: de randvoorwaarden voor een optimale samenwerking lijken niet altijd geborgd signalering is goed maar niet altijd op basis van het TNO-instrument. overdracht is altijd aanwezig, maar voldoet niet altijd aan het standpunt ‘gegevensoverdracht van kraamzorg en verloskunde naar jeugdgezondheidszorg’ Naar aanleiding van het onderzoek zijn alle kraamzorgorganisaties individueel op de hoogte gesteld van de verbeterpunten en branchepartijen zijn tevens gevraagd om aan de slag te gaan met de bevindingen uit de rapporten. Bo Geboortezorg heeft in dit kader deelgenomen in de werkgroep: ‘ geboortezorg aan asielzoekers’ samen met de  KNOV, Gezondheidscentrum Asielzoeker, COA (centraal orgaan opvang asielzoekers), MCA (Menzis COA Administratie voert de Regeling Zorg Asielzoekers uit in opdracht van het COA). En in de werkgroep overdracht kraamzorg-JGZ met KNOV, NBvK en NCJ.


UWV

UWV   UWV staat voor Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Het UWV zorgt voor een deskundige en efficiënte uitvoering van de werknemersverzekeringen, zoals de WW, WIA, WAO, WAZ, Wazo en Ziektewet. Daarnaast bieden ze arbeidsmarkt- en gegevensdiensten. Het UWV voert deze diensten uit als zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.   Het UWV heeft expertise, kennis en ervaring binnen 4 kerntaken: Werk: Het UWV stimuleert mensen om aan het werk te blijven of nieuw werk te vinden.Zij werken hierbij samen met gemeenten en private partijen. Werkgevers ondersteunen ze bij het vinden van personeel. Indicatiestelling: Het UWV beoordeelt volgens vastgestelde criteria ziekte en arbeidsongeschiktheid, als grondslag voor re-integratie en het benutten van participatiemogelijkheden. Uitkeren: Het UWV verzorgt tijdig en correct uitkeringen als werken niet of niet direct mogelijk is. Gegevensbeheer: Het UWV zorgen ervoor dat mensen slechts 1 keer gegevens over werk en uitkering aan de overheid hoeven te geven.   Op de website van het UWV vindt u ook veel informatie over het werkgeverschap. De informatie van het UWV richt zich op 4 categorieën: Werknemer is ziek Werknemer krijgt een kind Werknemer met een uitkering Werknemer en ontslag   Op de website vindt u handige brochures en formulieren  (www.uwv.nl).   Als werkgever heeft u een account nodig voor het werkgeversportaal. Wanneer u een account heeft, dan heeft u toegang tot de brieven. U kunt ook collega’s toegang tot de brieven geven door ze daarvoor te machtigen. U kunt met uw account ook uw werknemers online ziek- en hersteld melden, ontslagaanvragen indienen en re-integratieverslagen opsturen.   Het UWV werkt, na aanbeveling van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), met hoge prioriteit aan de volledige implementatie van het gestandaardiseerde, overheidsbrede inlogsysteem eHerkenning. Met deze aanpassing in het inlogsysteem (het werkgeversportaal) moeten werkgevers straks naast een gebruikersnaam en wachtwoord inloggen met bijvoorbeeld een pincode. eHerkenning zal gerealiseerd worden in het laatste kwartaal van 2018.   Heeft u nog geen account? Hier kunt u een account aanvragen.


Vakbonden

Vakbonden   Een vakbond of werknemersvereniging is een organisatie die de individuele en collectieve belangen behartigt van aangesloten werknemers. De volgende vakbonden hebben de Cao Kraamzorg 2016-2017 en Cao Kraamzorg 2018-2019 mede afgesloten: FNV Zorg en Welzijn, CNV Publieke Zaak, FBZ en NU ’91.   CNV Zorg en Welzijn CNV Zorg en Welzijn is één van de bonden van de organisatie CNV. CNV Zorg en Welzijn komt op voor de belangen van leden in de sectoren zorg & welzijn waaronder verpleging, verzorging, thuiszorg, apotheek en kraamzorg. CNV houdt zich bezig met collectieve belangenbehartiging, individuele belangenbehartiging en daarnaast ook met de beroepsinhoud. Dit laatste omvat alles waar werknemers in het dagelijks werk  mee te maken hebben. Zoals wetgeving die het beroep beïnvloedt en (ethische) dilemma’s waar men in de praktijk tegenaan loopt. CNV Zorg en Welzijn maakt afspraken met werkgevers over arbeidsvoorwaarden en leggen dit vast in een CAO en zorgen voor de naleving hiervan.   FBZ FBZ staat voor: Federatie van Beroepsorganisaties in de Zorg en daaraan gerelateerd onderwijs en onderzoek. FBZ is de rechtsopvolger van FHZ en AFZ/AC.  In totaal zijn 22 beroepsorganisaties  aangesloten bij de FBZ. De beroepsorganisaties verzorgen de collectieve belangenbehartiging voor hun leden, waarvan het arbeidsvoorwaardelijk deel door de FBZ wordt verzorgd. De FBZ onderhandelt namens de aangesloten beroepsorganisaties aan 10 cao-tafels in de zorg. Naast het (cao-)overleg op landelijk niveau voert de FBZ ook op instellingsniveau overleg met werkgevers over de personele gevolgen van fusies en reorganisaties. De FBZ onderhandelt daarbij met de werkgever over bijvoorbeeld een sociaal plan. Ook neemt de FBZ onder andere deel aan overleg over pensioenen, functiewaarderingssystemen en arbeidsmarktfondsen en met zorgverzekeraars   NU ’91 NU’91 is een onafhankelijke organisatie van verpleegkundigen en verzorgenden die zowel de beroepsinhoudelijke als de arbeidsvoorwaardelijke belangen van gezondheidszorgers behartigt. Zij maakt zich sterk voor de professionalisering en zelfstandigheid van het verpleegkundig beroep door het behartigen van arbeidsvoorwaardelijke en het centraal stellen van de beroepsinhoud. NU’91 werkt o.a. aan de beeldvorming en waardering van het beroep, de kwaliteit van het verpleegkundig/verzorgend onderwijs en wettelijke regels en kaders.   FNV Zorg en Welzijn FNV is een vakbond in de publieke sector die zich inzet voor de belangen van werknemers in verschillende beroepen waaronder de zorg. De zorgsector is ondergebracht bij FNV Zorg en Welzijn. Zij behartigt de collectieve én individuele belangen van werknemers op het gebied van werk en inkomen.


Verzuim en re-integratiebeleid

Verzuim en re-integratiebeleid   Als werkgever dient u uw werknemers voor te lichten over de rechten en plichten bij ziekte en re-integratie. De Wet Verbetering Poortwachter toetst namelijk of u voldoende doet aan het voorkomen van arbeidsongeschiktheid en aan re-integratie.   Naast een goede voorlichting moet u zorgen voor een duidelijke procedure voor ziekmelding en re-integratie. Het re-integratiebeleid heeft als doel de zieke werknemer weer zo snel mogelijk aan het werk te krijgen. U heeft hierbij altijd de hulp van een bedrijfsarts nodig. Deze is veelal in dienst bij een arbodienstverlener (ziet u ook het hoofdstuk Arbobeleid).   Ziekmeldingen Zieke medewerker De medewerker kan zich het beste ziekmelden bij de leidinggevende en niet bij een collega. Een leidinggevende weet wat voor werk er blijft liggen en kan dit eventueel onder de andere medewerkers verdelen.   Gegevens die je als werkgever (leidinggevende) bij ziekmelding mag vragen en registreren: Het telefoonnummer en (verpleeg)adres De vermoedelijke duur van het verzuim De lopende afspraken en werkzaamheden Of de werknemer onder een van de vangnetbepalingen van de Ziektewet valt (maar niet onder welke) Of de ziekte verband houdt met een arbeidsongeval Of er sprake is van een verkeersongeval waarbij een aansprakelijke derde is betrokken (regresrecht)   Informeren naar aard van/oorzaak ziekte mag niet, ook niet met toestemming van de werknemer. Noodzakelijkheidsvereiste geldt ook indien werknemer uit zichzelf en vrijwillig medische informatie heeft verstrekt.   Betermelding De medewerker dient zich beter te melden bij de leidinggevende en/of P&O. Verschijnt de zieke medewerker weer gezond op het werk, meldt dit dan direct aan de Arbodienst en eventueel UWV.   Ziekte of verzuim? Verzuimt de medewerker vanwege het feit dat de combinatie arbeid en zorg voor familielid te zwaar is of wanneer een kind van de medewerker ziek is of om andere privéredenen, is dit geen ziekteverzuim. In het geval van verzuim door andere redenen dient u de mogelijkheden te bespreken die de Cao biedt en die de Wet Arbeid en zorg biedt.   Re-integratiebeleid Het vervolgtraject is de verwachting dat de werknemer snel weer aan de slag kan (binnen vier weken) dan meldt u de werknemer ziek bij de arbodienst en houdt u ondertussen contact met uw werknemer is de verwachting dat de werknemer voorlopig niet kan werken (langer ziek zal zijn dan vier weken) dan meldt u de werknemer ook ziek bij de arbodienst en nu zal de bedrijfsarts binnen 6 weken een probleemanalyse maken. Aan de hand van de probleemanalyse van de bedrijfsarts gaat u vervolgens in gesprek met de werknemer en u maakt een plan van aanpak WIA en voert dit samen met de medewerker uit. Blijft de medewerker ziek dan blijft u werken aan de re-integratie. Alle documenten waarin u re-integratieafspraken vastlegt dient u in het dossier te bewaren en u dient ervoor te zorgen dat de medewerker hiervan een kopie heeft. Uiterlijk in de 42e week van ziekte meldt u uw medewerker ziek bij het UWV.   Plan van aanpak WIA Verwachten u, uw medewerker en de Arbodeskundige dat uw medewerker weer aan het werk kan? Dan maakt u uiterlijk in de achtste week samen met uw werknemer afspraken om dit zo snel en verantwoord mogelijk te doen. Deze afspraken beschrijft u in een Plan van aanpak. Bij het opstellen van dit plan gebruikt u de Probleemanalyse van de bedrijfsarts of arbodienst als basis. Deze digitale documenten  kunt u vinden op de website van het UWV in het werkgeversportaal. Bij veranderingen wordt het plan van aanpak bijgesteld; Bijstelling Plan van aanpak.   Casemanager Er wordt een casemanager aangewezen om ervoor te zorgen dat iedereen de afspraken nakomt. Dit kan een medewerker van de arbodienst zijn, of iemand van uw organisatie.   Probleemanalyse WIA Wanneer verwacht wordt dat de medewerker niet snel beter wordt, wordt een Probleemanalyse WIA gemaakt door de arbodienst/bedrijfsarts. In de analyse staat waarom de medewerker niet of minder kan werken. En hoe en wanneer hij waarschijnlijk wel weer aan het werk kan. De bedrijfsarts of arbodienst geeft, als dit mogelijk is, aan of uw werknemer zijn eigen werk in de toekomst nog kan doen. Daarnaast staan er in de probleemanalyse WIA adviezen voor uw werknemer om weer aan het werk te gaan. Bijvoorbeeld door stap voor stap meer uren te gaan werken of door de werkplek of de taken aan te passen.   Belangrijk Het is belangrijk dat u altijd kritisch blijft over het oordeel van de arbodienst of bedrijfsarts. U bent tenslotte altijd zelf verantwoordelijk voor de re-integratie. Wanneer de medewerker een WIA-uitkering aanvraagt zal een arts van het UWV de medewerker onderzoeken. Wanneer blijkt dat het oordeel van de arbodienst of bedrijfsarts niet klopte en uw medewerker veel eerder had kunnen gaan werken? Dan loopt u het risico dat u het loon langer moet doorbetalen.   Evalueren en WIA uitkering Rond het einde van het eerste ziektejaar evalueert u met uw werknemer de re-integratie tot dat moment. Dit is de Eerstejaarsevaluatie plan van aanpak. Daarnaast kijkt u vooruit naar het komende jaar. Is na dit eerste jaar nog niet duidelijk hoe en wanneer uw werknemer weer aan het werk kan gaan binnen uw organisatie? En bent u nog niet begonnen met het zoeken van werk buiten het bedrijf? Dan moet u vanaf dit moment intensief daarnaar gaan zoeken. Ook als er misschien nog mogelijkheden binnen uw bedrijf zijn. Wanneer uw medewerker ruim 1,5 jaar ziek is, kan hij een WIA-uitkering aanvragen. Hiervoor beoordeelt het UWV re-integratie met het re-integratieverslag. Het laatste onderdeel van het re-integratieverslag is de Eindevaluatie plan van aanpak. U vult dit formulier samen met uw werknemer in.   Modernisering ziektewet (BeZaVa) In 2013 heeft de wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (BeZaVa) - ook wel modernisering Ziektewet genoemd – haar intrede gedaan. Deze wet is gericht is op het terugdringen van het ziekteverzuim van vangnetters (tijdelijke arbeidskrachten die ziek uit dienst gaan). Met de nieuwe ziektewet is het de bedoeling dat er minder zieke en arbeidsongeschikte tijdelijke werknemers komen, waarbij u als werkgever meer verantwoordelijkheid krijgt   Door de Modernisering Ziektewet draagt u vanaf 1 januari 2014 via een gedifferentieerde premie bij aan de uitkeringen vanuit de Ziektewet (ZW) aan flexwerkers. ZW-uitkeringen die vanaf 2012 aan flexwerkers zijn uitbetaald na het einde van hun dienstverband, worden vanaf 2014 doorbelast in de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk). Erg belangrijk is dus dat zoals hierboven is beschreven u voor ál uw medewerkers een goed verzuim, re-integratiebeleid en preventiebeleid heeft en hanteert! Uiteindelijk kunt u namelijk 12 jaar financieel verantwoordelijk zijn voor de tijdelijke krachten die uw organisatie binnen de eerste twee ziektejaren verlaten.   Verantwoordelijkheden De gedachte achter de modernisering ziektewet is als volgt: Hoe meer verzuim, des te hoger de kosten voor de werkgever (door uitbreiding van de premiedifferentiatie worden werkgevers gestimuleerd mee te werken aan het terugdringen van de instroom van de groep werknemers in de WIA). De verantwoordelijkheid wordt dus bij u als werkgever gelegd. U dient  zich bewust te zijn van de ziekte van tijdelijke krachten en een sterkere band met deze flexwerker te krijgen (tot januari 2014 werden zowel de Ziektewet als de eventueel daaropvolgende WGA -uitkering betaald vanuit het sectorfonds van een bepaalde beroepsbranche waardoor de werkgever niets merkte van het ziekteverzuim).   Ook de werknemer krijgt nieuwe prikkels onder deze wet. Na een jaar ziek zijn is er een keuring en indien iemand voor minder dan 35% ziek is krijgt deze persoon geen uitkering meer. Daarnaast moet na een jaar gangbare arbeid geaccepteerd worden en wordt werken naast de uitkering beloond.   Wie zijn de ‘vangnetters’? De vangnetters op wie de Modernisering Ziektewet van toepassing is, zijn werknemers met een arbeidsbeperking die geen werkgever meer hebben. Deze groep bestaat uit: uitzendkrachten die ziek worden en daardoor de Ziektewet in gaan (beëindiging contract); zieke werknemers van wie hun dienstverband afloopt tijdens de ziekte (hiervoor zijn werkgevers verantwoordelijk); zieke WW-ers na 13 weken WW; iemand die binnen 28 dagen na beëindiging van zijn arbeidscontract ziek wordt. Deze ex-werknemer valt als gevolg van ‘de nawerking’ ook onder de Nieuwe Ziektewet (bij ziekmelding na die 28 dagen blijft de ex-werkgever buiten schot en is het UWV verantwoordelijk).   Voor vangnetters die onder de volgende groepen vallen, verandert niets voor de werkgever: Orgaandonoren; Vrouwen met zwangerschaps- en bevalling gerelateerde klachten; Personen met een arbeidsongeschiktheidsstatus (no-riskers). De ziektekosten blijven in deze gevallen vanuit het sectorfonds gedragen worden.   Premiedifferentiatie Ook in de gemoderniseerde Ziektewet dient u bij ziekte van een werknemer met een tijdelijk contract het loon door te betalen gedurende de looptijd van het contract. De verandering zit hem in de financiering van de periode daarna, tot het moment dat de werknemer twee jaar ziek is geweest.   Voor werkgevers met een loonsom die gelijk of minder is dan tien keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer (< € 331.000,-) is de premie op sectorniveau (gelijke premie voor alle werkgevers in de sector). Voor middelgrote organisaties met een loonsom van meer dan tien tot en met honderd keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer (tussen € 331.000,- en € 3.310.000,-) wordt een gewogen gemiddelde berekend tussen sectorpremie en individuele (gedifferentieerde) premie. Hoe meer werknemers, des te hoger het aandeel individuele premie. Organisaties met meer dan honderd keer het gemiddelde loon (meer dan honderd werknemers) gaan de premie volledig op individuele basis betalen (boven € 3.310.000,-). Zodoende is voor grote organisaties de premie per 1 januari 2014 geheel gebaseerd op de eigen ziekteverzuimcijfers. Het UWV levert de input voor die premiebepaling en houdt daarvoor sinds 2012 de individuele schade per werkgever bij. De belastingdienst stelt de uiteindelijke premie vast en legt hem op. Goede prestaties zullen op termijn zichtbaar worden in de premie, echter bij veel zieke vangnetters betaald u ook veel.   De premies worden gebaseerd op de instroom in de WGA van twee jaar daarvoor. Dus de premie per 1 januari 2019 is gebaseerd op de prestaties in 2017.   Kijkt u ook op: https://www.uwv.nl/overuwv/kennis-cijfers-en-onderzoek/premieadviezen-social-fondsen/gedifferentieerde-premies-wga-en-ziektewet-2019.aspx   Preventie U als werkgever wilt er natuurlijk veel aan doen om zo min mogelijk zieke vangnetters te hebben. U kunt er in ieder geval voor zorgen om een goede administratie te onderhouden betreffende de eerste ziektedag van de tijdelijke arbeidskrachten zodat u de gegevens die u van het UWV krijgt ook kunt controleren. En ook kunt vastleggen welke werknemers een no-risk status hebben (zie hierboven). Net zoals hierboven beschreven dient u ook voor de tijdelijke werknemers samen met een bedrijfsarts of arbodienst (voor de resterende looptijd van zijn contract) een plan van aanpak voor re-integratie op te stellen. Na afloop van het contract wordt het UWV de uitvoerende partij en is uw invloed als (ex)werkgever op de re-integratie beperkt. Tenminste als u geen eigen risico drager bent. Wat u mogelijk ook wenst te doen is afspraken maken met uw tijdelijke werknemer die ziek is geworden over de re-integratie na het einde van hun contract, op deze manier kunt u nog wel contact houden met de werknemer en een vinger aan de pols houden. Daarnaast zou u ook contact kunnen houden met de gezonde werknemer die uit dienst gaat. Het is immers van groot belang dat deze gezonde werknemer niet binnen 28 dagen ziek wordt, daarnaast wilt u het liefst dat deze (ex)werknemer elders werk heeft gevonden.   Eigen risico De uitvoering van de Ziektewet ligt in eerste instantie volledig bij het UWV. U kunt er echter ook voor kiezen om eigen risico drager te worden. Met ingang van 2017 is de verzekering voor WGA-vast en WGA-flex samengevoegd. Werkgevers hebben dan de mogelijkheid om voor deze combinatie eigenrisicodrager te worden. Daarnaast is per 2017 de wetgeving zodanig veranderd dat de verschillen tussen de private en publieke verzekering WGA verkleind zijn.   Indien u geen eigen risicodrager bent dan bent u publiek verzekerd voor de Ziektewet en de WGA, u betaald dan standaard een premie aan het UWV. U bent dan ook afhankelijk van het UWV. Het UWV is dan vervolgens verantwoordelijk voor de begeleiding van uw zieke ex-werknemers. Echter het UWV schijnt er niet helemaal op gericht zijn om deze zieke ex-werknemer te begeleiden, het zal dan ook vaak voorkomen dat u langer een verhoogde Ziektewet- of WGA premie betaald indien de ziekteverzuimbegeleiding en re-integratie niet aanslaat. Met een publieke verzekering betaald u hoe dan ook premie en heeft u dus minder invloed op de hoogte van de premie.   Indien u eigen risicodrager wordt voor de Ziektewet betaald u zelf de Ziektewetuitkering aan zieke ex-werknemers. De vraag die u uzelf zou kunnen stellen is of u dit financiële risico daadwerkelijk zelf kunt en wilt dragen. Als eigenrisicodrager bent u ook zelf verantwoordelijk voor de re-integratie van de ex-werknemer.   Meer informatie hierover kunt u vinden op de site van het UWV en op de site van de Belastingdienst.


Vroegsignaleringsinstrument TNO

Vroegsignaleringsinstrument TNO  Het signaleren van risicofactoren, bespreken van de signalen met het gezin, schrijven van de rapportage, overdragen en rapporteren aan verloskundige/huisarts en/of collega’s maakt deel uit van kraamzorg en is daarom een onderdeel van het LIP. In opdracht van het ministerie van VWS heeft TNO een instrument ontwikkeld voor kraamverzorgenden. Hiermee risico’s gesignaleerd worden en vervolgens doorgegeven worden verloskundigen en jeugdverpleegkundigen. Download hier het rapport vroegsignalering in de kraamperiode van TNO en de TNO checklist vroegsignalering in de kraamtijd


Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg

Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg   Inleiding Zorgaanbieders, indicatieorganen en zorgverzekeraars moeten het BSN gebruiken bij het uitwisselen van gegevens over patiënten of cliënten. Dit betekent dat al deze partijen met een betrouwbaar BSN moeten werken. Zij moeten er zeker van zijn dat het nummer en de gegevens bij een bepaalde persoon horen.   Daarnaast neemt het gebruik van digitale gegevens in de zorg steeds meer toe, terwijl de veiligheid van deze gegevens nog niet altijd voldoende wordt gewaarborgd. De huidige regelgeving (waaronder de WGBO en de AVG) is niet toereikend genoeg voor het reguleren van het veilig uitwisselen van medische gegevens, BSN en de rechten van cliënten.   De bepalingen van de Wet cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens zijn geïmplementeerd in de Wet gebruik BSN in de zorg. Sinds 1 juli 2017 wordt deze wet aangeduid als de “Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg” en regelt dus niet meer alleen het gebruik van het BSN.   Het doel van deze wet De wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg heeft als doel om de privacy van cliënten beter te waarborgen. Doel van deze wet is het scheppen van duidelijke voorwaarden waaronder medische gegevens veilig en elektronisch mogen worden uitgewisseld of ingezien. Daarnaast regelt deze wet ook de rechten van cliënten bij elektronische gegevensuitwisseling.   Inhoud en toepassing van de wet Zorgaanbieders moeten bij het elektronische verwerken van gegevens voldoen aan de volgende aanvullende verplichtingen op grond van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg: De zorgaanbieder heeft de plicht om uitdrukkelijke toestemming aan de cliënt te vragen voordat de medische gegevens beschikbaar worden gesteld via een elektronisch uitwisselingssysteem; De zorgaanbieder heeft de plicht om de cliënt gericht te informeren over diens rechten bij elektronische gegevensuitwisseling, de wijze waarop hij zijn rechten kan uitoefenen en over de werking van het elektronisch uitwisselingssysteem dat voor de gegevensuitwisseling wordt gebruikt; Wanneer een nieuwe categorie zorgaanbieders aansluit bij een elektronisch uitwisselingssysteem of als de werking van het elektronisch uitwisselingssysteem substantieel wordt gewijzigd, heeft de zorgaanbieder de plicht om diens cliënt(en) te informeren over deze wijziging en over de mogelijkheid om de gegevens toestemming in te trekken of aan te passen; Gebruikte elektronische uitwisselingssystemen en interne zorginformatiesystemen moeten voldoen aan de veiligheidseisen en zorgvuldigheidseisen van NEN-7510; Overeenkomsten tussen zorgaanbieder en de verantwoordelijke van een elektronisch uitwisselingssysteem moeten voldoen aan NEN-7510; Zorgdragen dat gebruik wordt gemaakt van veilige verbindingen die voldoen aan NEN-7512; De logging van cliëntengegevens moet voldoen aan NEN-7513.   Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg & AVG Per 1 juli 2020 dienen zorgaanbieder op grond van de AVG aan de volgende verplichtingen te voldoen die tevens staan opgenomen in de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg: De zorgaanbieder heeft de plicht om de cliënt kosteloos (elektronisch) inzage en een elektronisch afschrift van het dossier of gegevens uit het dossier te geven indien de cliënt hierom vraagt. De wet stelt geen eisen aan de vorm waarin elektronische inzage wordt verleend. Dit mag dus in principe ook schriftelijk worden verleend. De zorgaanbieder heeft de plicht om de cliënt te voorzien van een elektronisch afschrift van de ‘logging’, indien de cliënt hierom vraagt. Zorgaanbieders zullen het recht van cliënten moeten waarborgen dat zij mogen inzien op welke datum wie of welke zorgverlener hun dossier heeft bekeken, opgevraagd of beschikbaar heeft gesteld. De zorgaanbieder heeft de plicht om de client het recht te geven om uitdrukkelijke toestemming te geven, aan te passen en in te trekken om gegevens beschikbaar te stellen. Daarnaast heeft de Minister besloten dat een aantal artikelen nog niet in werking treden. Het gaat om de volgende artikelen: De zorgaanbieder heeft de plicht om gespecificeerde toestemming aan de cliënt te vragen voordat de medische gegevens beschikbaar worden gesteld via een elektronisch uitwisselingssysteem. Dit houdt in dat de cliënt toestemming zal moeten geven om alle of bepaalde gegevens bij een zorgaanbieder beschikbaar te stellen aan bepaalde, door de cliënt aan te duiden, andere zorgaanbieders of categorieën van zorgaanbieders (artikel 15a, lid 2). De plicht tot het bijhouden van een registratie van de door cliënten verleende toestemming waarbij wordt aangetekend vanaf welk tijdstip de toestemming van kracht is geworden. Hij kan deze registratie beschikbaar stellen via het elektronisch uitwisselingssysteem (artikel 15c, lid 2); Tevens is bepaald dat het volgende artikel niet meer in werking zal treden: Artikel 15b, de verplichting om toestemming te vragen voor het raadplegen van gegevens, zal niet in werking treden. De verplichtingen vanuit de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg gelden als aanvulling op de AVG. Dit betekent ook dat waar de AVG meer bescherming voor cliënten biedt, het beschermingsniveau vanuit de AVG dient te worden gehanteerd.   Het Ministerie van VWS heeft een Juridische Factsheet Wet cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens beschikbaar gesteld met alle rechten en plichten bij elektronische verwerking van gegevens.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Zorgaanbieders zijn verplicht het BSN in hun administratie op te nemen en op een juiste wijze te beveiligen. Ook dient de cliënt uitdrukkelijke toestemming te geven voor het gebruik van zijn of haar BSN. Daarnaast dient het gebruikte uitwisselingssysteem van de leden van Bo te voldoen aan de Europese normen.   Als zorgaanbieder bent u zelf verantwoordelijk voor het maken van de juiste koppeling tussen de patiënt en zijn BSN. Dit kunt u doen door de identiteit van de patiënt vast te stellen en het BSN op te vragen bij een betrouwbare bron. Betrouwbare bronnen zijn de Sectorale Berichten Voorziening in de Zorg (SBV-Z), de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en Vecozo. Om gebruik te kunnen maken van de BSN-diensten van de SBV-Z heeft u een UZI-pas of een UZI-servercertificaat nodig. Een BSN kan ook overgenomen worden van een andere zorgaanbieder die het nummer al uit een betrouwbare bron heeft verkregen. Hiervoor is toestemming van de cliënt nodig.   Leden van Bo Geboortezorg dienen er voor te zorgen dat de verstrekking van medische gegevens aan de patiënt op veilige wijze gebeurt. Voor het gebruik van een elektronisch uitwisselingssysteem dient de toestemming van een patiënt te worden gevraagd. Tevens dienen leden van Bo Zorg te dragen dat zij vanaf 1 juli 2020 aan de plichten zoals in paragraaf 4 staan beschreven voldoet.                      


Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (WAADI)

Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (WAADI)   Inleiding Bemiddeling van arbeid door intermediairs is aan regels gebonden. De Wet allocatie arbeid door intermediairs (WAADI) legt deze regels vast. Daarbij wordt verschil gemaakt tussen arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen van arbeid (uitzendwerk). Voor beide vormen van bemiddeling staan in de WAADI gedragsregels. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de WAADI.   De wet is voor u van belang als u arbeidskrachten ter beschikking stelt. Dit kan bedrijfsmatig of niet-bedrijfsmatig zijn. De wet heeft ook gevolgen voor ondernemingen die arbeidskrachten inlenen. Deze wet is in de zomer van 2012 uitgebreid met een registratieplicht in het Handelsregister.   Het doel van deze wet Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil met deze wet illegale arbeid en het uitbuiten van medewerkers tegengaan. Door een registratieplicht in te voeren, wil de overheid malafide uitzendbureaus en uitbuiting van werknemers aanpakken.   Inhoud en toepassing van de wet Doet u aan terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, dan moet u met de juiste SBI-code geregistreerd staan bij de KvK. In de wet staat: 'het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht of leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst verrichten van arbeid.' Concreet zijn 3 elementen van belang: Er is een onderneming die arbeidskrachten ter beschikking stelt aan een andere onderneming. De onderneming die arbeidskrachten ter beschikking stelt, krijgt hiervoor een vergoeding van de onderneming aan wie de arbeidskrachten ter beschikking zijn gesteld. De arbeidskracht die ter beschikking is gesteld werkt onder toezicht en leiding van de onderneming aan wie hij ter beschikking is gesteld.   Als u een arbeidskracht (werknemers, uitzendkrachten of zzp-ers via een andere organisatie) inhuurt, dan moet u checken of de uitlener als zodanig geregistreerd staat bij de Kamer van Koophandel; de zogeheten Waadicheck.   De loonverhoudingsnorm in deze wet regelt dat een persoon die ter beschikking wordt gesteld recht heeft op hetzelfde loon als een werknemer in dezelfde functie bij de inlenende partij. Dat is in de gewijzigde Waadi uitgebreid naar arbeidstijd, overuren, pauzes, rusttijden, nachtarbeid, vakantie en feestdagen. Met name rond de inzet van zzp-ers kan dit van belang zijn. Ook geldt een verbod om een tegenprestatie, bijvoorbeeld een vergoeding, te vragen van de ter beschikking gestelde arbeidskracht, en een verbod om een dienstverband na uitleenperiode te belemmeren.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Een bedrijf dat personeel wil inhuren, moet nagaan of de uitlener (uitzendbureau) staat ingeschreven bij de KvK. Doet de inlener dat niet, dan riskeert hij een boete. Op de site van de KvK kunt u digitaal deze zogeheten Waadi-check uit voeren.   Ondernemingen die bedrijfsmatig arbeidskrachten ter beschikking stellen, kunnen hun onderneming laten certificeren; heeft het uitlenende bedrijf het SNA-keurmerk dan bent u als inlener onder voorwaarden gevrijwaard van de inlenersaansprakelijkheid (betaling van achterstallige loonheffingen en omzetbelasting van de onderneming die aan het personeel ter beschikking heeft gesteld).   Let op: de Waadi hanteert een brede definitie van de doelgroep, zodanig dat ook directeur-grootaandeelhouders (dga’s) of zzp-ers er onder kunnen vallen als ze zichzelf eventueel via hun BV als arbeidskracht aan u als geboortezorgorganisatie zijnde uitlenen.  


Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten   Inleiding Op 1 april 2015 is de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten ingegaan. Werkgevers moeten een bepaald percentage banen aan mensen met een ziekte of handicap geven. Als het aantal banen voor mensen met een arbeidsbeperking landelijk achterblijft, kan de werkgever een boete krijgen: de quotumheffing.   Het doel van deze wet In het sociaal akkoord van 11 april 2013 hebben het kabinet en sociale partners (werkgevers en werknemers) afgesproken dat ze extra banen gaan creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. In totaal gaat het om 125.000 extra banen (ten opzichte van de peildatum 1 januari 2013). 100.000 in de marktsector die in 2026 gerealiseerd moeten zijn en 25.000 bij de overheid die in 2024 gerealiseerd moeten zijn. De banenafspraak is een landelijke afspraak. Op landelijk niveau wordt gekeken of de werkgevers in de sector overheid en de werkgevers in de sector markt de aantallen hebben gerealiseerd die voor hun sector gelden. Werkgevers in de zorg behoren tot de sector markt.   Inhoud en toepassing van de wet De wet regelt een aantal belangrijke zaken die werkgevers nodig hebben om de mensen uit de doelgroep op de banen te plaatsen en om te monitoren of de werkgevers de extra banen in een jaar hebben gerealiseerd.   Instrumenten Gemeenten kunnen de volgende instrumenten inzetten: Met proefplaatsingen kunnen werkgever en werknemer kijken of iemand geschikt is voor de functie. Gemeenten komen met dit instrument werkgevers tegemoet in de loonkosten (vermeerderd met een vergoeding voor de werkgeverslasten) als zij mensen in dienst nemen die niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. De staatssecretaris van SZW wil daarnaast mogelijk maken dat gemeenten in de eerste 6 maanden van het dienstverband een forfaitaire loonkostensubsidie kunnen inzetten. De no-riskpolis. De no-riskpolis komt werkgevers tegemoet in de loonkosten als iemand uit de doelgroep van de Participatiewet ziek uitvalt. Begeleiding/jobcoach. Voor de begeleiding op de werkplek. Als een aanpassing van de werkplek noodzakelijk is.   UWV kan de volgende instrumenten inzetten: Met proefplaatsingen kunnen werkgever en werknemer kijken of iemand geschikt is voor de functie. UWV komt met dit instrument werkgevers tegemoet in de loonkosten. De no-riskpolis. De no-riskpolis komt werkgevers tegemoet in de loonkosten als iemand uit de doelgroep van de Participatiewet ziek uitvalt. Begeleiding/jobcoach. Voor de begeleiding op de werkplek. Als een aanpassing van de werkplek noodzakelijk is.   De volgende fiscale instrumenten zijn beschikbaar: Als een werknemer tot de doelgroep banenafspraak behoort en in het doelgroepregister is opgenomen, hebben werkgevers recht op de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer. Via de regelhulp financieel CV kan een werkgever eenvoudig nagaan of recht op premiekorting doelgroep banenafspraak bestaat. Vanaf 1 januari 2017 hebben werkgevers onder voorwaarden recht op een lageinkomensvoordeel (LIV) als ze werknemers in dienst hebben die tussen de 100 en 120 procent van het wettelijk minimumloon verdienen. Dit voordeel kan oplopen tot 2.000 euro per werknemer per jaar. De hoogte is afhankelijk van het gemiddelde uurloon van de werknemer. Via de regelhulp financieel CV kan een werkgever eenvoudig nagaan of recht op het lage inkomensvoordeel bestaat.   Overige ondersteuning: In de regionale Werkbedrijven maken werkgevers- en werknemersorganisaties, UWV en gemeenten afspraken over een eenduidige inzet van de instrumenten die gemeenten kunnen inzetten. En afspraken over de manier waarop kandidaten en werkgevers elkaar vinden. Werkgevers kunnen bij hun gemeente, UWV of het werkgeversservicepunt informatie vragen over de afspraken die hun arbeidsmarktregio daarover heeft gemaakt. De regionale Werkgeversservicepunten ondersteunen de werkgevers die regionaal en lokaal werken. Het landelijk Werkgeversservicepunt is er voor werkgevers die bovenregionaal en landelijk werken. Deze Werkgeversservicepunten kunnen werkgevers ondersteunen en advies geven over de mogelijkheden binnen hun bedrijf om mensen met een arbeidsbeperking aan de slag te krijgen. Door bijvoorbeeld taken op een andere manier te organiseren, zodat er een geschikte functie voor iemand met een arbeidsbeperking ontstaat (het bedrijfsadvies inclusieve arbeidsorganisatie). Ook kan er sprake zijn van eventuele regionale of lokaal aangeboden instrumenten. Hiervoor kunnen werkgevers terecht bij de regionale Werkgeversservicepunten. Ook UWV en sw-bedrijven kunnen werkgevers adviseren over geschikte functies voor mensen uit de doelgroep.   Quotumregeling Als werkgevers in een sector (markt of overheid) de afgesproken aantallen banen van de banenafspraak niet realiseren, dan kan de quotumregeling worden geactiveerd. Uit de monitor banenafspraak over de resultaten over 2016 bleek dat de werkgevers van de sector overheid de aantallen niet hebben gerealiseerd. Om die reden is de quotumregeling voor de werkgevers van de sector overheid per 1 januari 2018 geactiveerd.   Het percentage voor 2018 was 1,93% en voor 2019 is het quotumpercentage voor de sector overheid vastgesteld op 2,14%. Dit betekent dat van alle verloonde uren van grote werkgevers in de sector overheid 2,14 procent ingevuld moet worden door mensen met een arbeidsbeperking. Het percentage geldt alleen voor individuele werkgevers met 25 of meer werknemers en dat deze werkgevers per jaar meer dan 40.575 verloonde uren via de loonaangifte verantwoord hebben. Er wordt geen heffing toegepast indien de overheidswerkgever in 2018 niet aan het percentage heeft voldaan. De heffingen worden pas opgelegd als een werkgever over 2019 niet heeft voldaan aan het quotumpercentage. Dus pas in 2020 kunnen heffingen worden opgelegd, over tekorten over het jaar 2019. Er is het voornemen om de quotumregeling weer stop te zetten als de aantallen voor de banenafspraak weer zijn gehaald.   Werkgevers in de sector markt vallen niet onder de quotumregeling, omdat zij de doelstellingen van het aantal banen in de markt wel hebben gehaald.   Quotumheffing De quotumheffing zoals deze in het huidige systeem zou moeten worden toegepast, is opgeschort tot 1 januari 2022 of tot het moment waarop de vereenvoudigde quotumregeling operationeel is, als dit vóór deze datum ligt. Maar omdat het huidige systeem op grond van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperking operationeel blijft tot het nieuwe systeem in werking treedt, moet aan de huidige wettelijke voorwaarden worden voldaan, een quotumpercentage van 2,14% in 2019.   Voor wie is deze wet bestemd De Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten is van toepassing op alle werkgevers in Nederland. De quotumheffing is alleen van toepassing op werkgevers met 25 of meer werknemers (wordt gemeten als meer dan 40.575 verloonde uren via de loonaangifte)   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Ieder jaar wordt beoordeeld of er tot en met het voorgaande jaar voldoende extra banen zijn gerealiseerd. Werkgevers in de sector markt vallen niet onder de quotumregeling, omdat zij de doelstellingen van het aantal banen in de markt wel hebben gehaald. Wees als werkgever zijnde ervan op de hoogte dat sommige gemeenten een subsidieregeling hebben voor het in dienst nemen van (gedeeltelijk)arbeidsongeschikten. De meeste regelingen komen er op neer dat de gemeente een deel van het loon betaalt van de (gedeeltelijk)arbeidsongeschikten. Of er een dergelijke regeling van kracht is verschilt per gemeente.


Wet cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens

Wet cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens   Inleiding Deze nieuwe wet is per 1 juli 2017 in werking getreden en richt zich op elektronische uitwisseling van gegevens in de zorg. De wet stelt bijvoorbeeld eisen aan de informatiebeveiliging en het delen van informatie over de cliënt in zorgorganisaties.   Het doel van deze wet Het doel van de wet is om beter de gegevens van de cliënt/patent te beschermen. De wet is complementair aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming.   Inhoud en toepassing van de wet Deze wet stelt de volgende eisen: De wet stelt eisen aan het informeren over en toestemming vragen voor het elektronisch uitwisselen en beschikbaar stellen van gegevens. Verder stelt de wet dat zorgverleners moeten beschikken over een Functionaris Gegevensbescherming (FG). Deze FG moet controleren of het omgaan met medische gegevens in de praktijk op een goede manier gebeurt. Toestemming cliënt: De zorgaanbieder geeft de cliënt informatie over zijn rechten bij elektronische gegevens uitwisseling en de wijze waarop hij die rechten kan uitoefenen. De zorgaanbieder dient te registreren vanaf wanneer de gekregen toestemming van de cliënt van toepassing is. Alleen met uitdrukkelijke toestemming van de cliënt kan de zorgaanbieder diens gegevens vooraf beschikbaar stellen voor later gebruik via een elektronisch uitwisselingsysteem Enkele onderdelen van de wet zijn pas ingegaan op 1 juli 2020: Het recht van de cliënt om kosteloos elektronische inzage in en een elektronisch afschrift van het dossier of van gegevens uit dat dossier te krijgen. Bij elektronische inzage of afschrift kan cliënt verzoeken om een overzicht van wie wanneer bepaalde informatie beschikbaar heeft gemaakt en wie wanneer bepaalde informatie heeft ingezien (logging). Enkele onderdelen moeten nog in werking treden: De zorgaanbieder heeft de plicht om gespecificeerde toestemming aan de cliënt te vragen voordat de medische gegevens beschikbaar worden gesteld via een elektronisch uitwisselingssysteem. Dit houdt in dat de cliënt toestemming zal moeten geven om alle of bepaalde gegevens bij een zorgaanbieder beschikbaar te stellen aan bepaalde, door de cliënt aan te duiden, andere zorgaanbieders of categorieën van zorgaanbieders (artikel 15a, lid 2). De plicht tot het bijhouden van een registratie van de door cliënten verleende gespecificeerde toestemming waarbij wordt aangetekend vanaf welk tijdstip de toestemming van kracht is geworden. Hij kan deze registratie beschikbaar stellen via het elektronisch uitwisselingssysteem (artikel 15c, lid 2);   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Leden van Bo dienen als zorgaanbieder de regels omtrent het elektrisch uitwisselen van cliëntgegevens goed in acht te nemen. Let daarbij altijd op dat indien u als organisatie zijnde gebruik maakt van het elektronisch uitwisselen van gegevens, er vooraf sprake dient te zijn van instemming van de cliënt/patiënt. Tevens dienen de leden van Bo hun cliënten op de hoogte te brengen van hun rechten met betrekking tot deze automatische uitwisseling van hun gegevens. Dit kan bijvoorbeeld mondeling maar ook door middel van het tekenen van een verklaring waarin de cliënt aangeeft te hebben vernomen van zijn of haar rechten.   Leden van Bo dienen de wet in combinatie met de AVG te lezen. Beide wetten zijn van toepassing en overlappen grotendeels met elkaar en vullen elkaar aan. Om aan de AVG te voldoen kan gesteld worden dat organisaties in ieder geval, naast andere voorwaarden, aan de wet cliënten rechten bij elektronische verwerking van gegevens moeten voldoen.   Cliënten zijn niet verplicht toestemming te geven om medische gegevens altijd elektronisch beschikbaar te stellen aan andere zorgverleners. Indien de cliënt geen toestemming wil geven heeft dit uiteraard geen gevolgen voor de manier waarop de zorg voor de cliënt geregeld wordt. Het kan zo zijn dat een (toekomstige) cliënt geen toestemming aan een andere zorgverlener heeft gegeven om gegevens door te sturen naar een uw organisatie. Als zorgverlener zijnde blijft u verplicht om op een andere manier zoveel mogelijk informatie te vergaren die nodig is voor de behandeling van de cliënt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een aanmeldformulier of doormiddel van het stellen van mondelingen vragen.   Leden van Bo Geboortezorg dienen door deze wet een Functionaris Gegevensbescherming (FG) aan te stellen. Deze dient te controleren of het omgaan met de medische gegevens binnen de organisatie goed gebeurt.   Om te voldoen aan deze wet wordt leden van Bo Geboortezorg geadviseerd NEN 7510, 7512 en 7513 te raadplegen voor richtlijnen en uitgangspunten voor het bepalen, instellen en handhaven van maatregelen die zorginstellingen en andere beheerders van persoonlijke gezondheidsinformatie moeten treffen ter beveiliging van de informatievoorziening. NEN 7510 – Gaat over de informatiebeveiliging in de zorg NEN 7512 – Gaat over de vertrouwensbasis voor informatiebeveiliging in de zorg (Dit is een aanvulling op NEN 7510) NEN 7513 – Gaat over het vastleggen van acties op elektronische patiëntendossiers, ook wel logging genaamd. De NEN-normen zijn te raadplegen via https://www.nen.nl/.


Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA)

Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties   Inleiding Met de inwerkingtreding van de Wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) is de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) verdwenen. Partijen die daar behoefte aan hebben kunnen zekerheid over het juist invullen van de modelovereenkomst vragen aan de Belastingdienst. Met een VAR-WUO of VAR-DGA genoot de opdrachtgever vrijwel ongelimiteerde vrijwaring. Dit maakte het onmogelijk voor de Belastingdienst om goed te kunnen handhaven bij (malafide) opdrachtgevers.   Het doel van deze wet Met de Wet DBA is de balans van verantwoordelijkheid en vrijwaring tussen opdrachtgever en opdrachtnemer verbeterd. In die zin levert de Wet DBA een positieve bijdrage aan de aanpak schijnconstructies.   Inhoud en toepassing van de wet Vanaf 1 mei 2016 kunnen de ZZP’er en de opdrachtgever een (model)overeenkomst sluiten bij het aangaan van een opdracht. Deze overeenkomst moet van tevoren zijn goedgekeurd door de Belastingdienst. Om het ZZP’ers en opdrachtgevers gemakkelijk te maken, stelt de Belastingdienst modelovereenkomsten beschikbaar. In de modelovereenkomst staat precies omschreven aan welke voorwaarden de samenwerking tussen ZZP’er en opdrachtgever moet voldoen. Achteraf kan de Belastingdienst controleren of de regels uit de overeenkomst daadwerkelijk worden nageleefd. Als bij controles schijnzelfstandigheid wordt aangetoond, dan kunnen naheffingen en boetes volgen voor zowel de ZZP’er als de opdrachtgever. Opdrachtgevers lopen dus voortaan het risico op naheffingen en boetes bij het inhuren van ZZP’ers. Het is nog niet bekend hoe hoog die boetes zijn.   Op 21 november 2016 is de werking van de wet echter uitgesteld tot 1 januari 2018. Staatssecretaris van Financiën, Dhr Wiebes, heeft aangegeven ZZP’ers tot deze tijd niet op hun onderlinge verhouding af te rekenen. De belastingdienst pakt alleen ‘echte valsspelers’ aan aldus de staatssecretaris. Het kabinet gaat in de tussenliggende periode bekijken hoe de begrippen ‘gezag’ en ‘vrije vervanging’ kunnen worden aangepast aan de moderne tijd.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg De Staatssecretaris geeft aan te begrijpen dat de systeemverandering (van VAR naar modelovereenkomsten) voor onzekerheid en onrust zorgt en dat hij er alles aan wil doen die onzekerheid weg te nemen. De vooraf goedgekeurde manieren van werken zijn vastgelegd in tien algemene en circa vijftig sectorale modelovereenkomsten, waar opdrachtgevers en -nemers zonder verder vooroverleg gebruik van kunnen maken voor hun opdrachten. Wiebes geeft aan dat hiermee een grotendeels dekkend stelsel van modelovereenkomsten aan het ontstaan is voor arbeidsrelaties die zich lenen voor werken buiten dienstbetrekking.   Daarnaast heeft het ook nadelen voor opdrachtgevers. Met de nieuwe Wet DBA is er een einde gekomen aan de VAR voor ZZP’ers. Met de VAR wist de opdrachtgever zeker dat hij gevrijwaard was van het betalen van loonheffingen en sociale premies. Die zekerheid is nu verdwenen. Nu kunnen opdrachtgevers en hun ZZP’ers modelovereenkomsten sluiten als ze zekerheid willen. Als bij controles blijkt dat er niet conform de overeenkomst gehandeld is kunnen er boetes en naheffingen volgen voor de opdrachtgever. Indien een opdrachtgever voor een ZZP’er kiest, dan neemt de administratieve last toe. Vanwege de risico's is het namelijk van belang dat de modelovereenkomst goed wordt gelezen en begrepen. De samenwerking moet overeenkomen met de regels uit de overeenkomst.   Hier treft u de modelovereenkomsten kraamzorg aan op de site van de Belastingdienst. Let hierbij op de geel gemarkeerde artikelen. Dit zijn de artikelen met de voorwaarden die van belang zijn bij het bepalen of er sprake is van een dienstbetrekking. De niet-gemarkeerde artikelen kunt u eventueel aanvullen en aanpassen voor uw eigen situatie, als dat niet in strijd is met de gemarkeerde artikelen.    


Wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA)

Wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA)   Inleiding Door de invoering van de wet DBA en de modelovereenkomsten zijn zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers (zzp'ers) verantwoordelijk voor de arbeidsrelatie die zij met elkaar aangaan. Dit betekent dat in veel gevallen kritisch naar deze relatie gekeken moet worden. Als een zzp’er (opdrachtnemer) voor een opdrachtgever gaat werken, moeten de zzp’er en zijn opdrachtgever bepalen of er sprake is van loondienst (een dienstbetrekking). In veel gevallen is het duidelijk dat hiervan geen sprake is.   Het doel van deze wet Opdrachtgevers en opdrachtnemers (zzp'ers) hebben graag zekerheid over de arbeidsrelatie die ze met elkaar aangaan. Tot 1 mei 2016 kon dit met de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Sinds 1 mei 2016 is deze vervangen door de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (DBA) en modelovereenkomsten.   Inhoud en toepassing van de wet Sinds de start van de wet DBA werd duidelijk dat de arbeidswetgeving niet meer past bij de huidige praktijk voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. Het kabinet onderzocht daarom of de arbeidswetgeving herijkt kon worden. De handhaving van de wet was daarom opgeschort tot in elk geval 1 januari 2018.   Inmiddels zijn de resultaten van dit ambtelijk onderzoek bekend en worden deze meegenomen in het formatieproces. Het is aan het nieuwe kabinet om daar keuzes in te maken. In ieder geval moeten opdrachtgevers en opdrachtnemers voldoende tijd krijgen om hun werkwijze zo nodig aan te passen. Daarom is de opschorting van de handhaving van de wet verlengd tot in ieder geval 1 juli 2018.   Zolang er nog geen duidelijkheid is over de herijking van de arbeidswetgeving, krijgen opdrachtgevers en opdrachtnemers geen naheffingen en boetes. De Belastingdienst treedt wel op tegen kwaadwillenden. Dan gaat het om situaties waarin sprake is van het opzettelijk laten ontstaan of voortbestaan van een evidente schijnzelfstandigheid, omdat partijen weten – of hadden kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking.   Vervangende wet DBA   In het regeerakkoord 2017-2021 staat dat zzp'ers om de juiste redenen moeten kiezen voor het zzp-schap en dat er geen sprake is van een arbeidsrelatie (schijn-zelfstandigheid). Het doel van de wet DBA, is om ZZP’ers meer zekerheid te bieden.   Tot heden heeft de Wet DBA echter veel onrust gebracht, waardoor de wet in de toekomst vervangen zal worden. De nieuwe wet moet de opdrachtgever van echte zelfstandigen zekerheid bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. Het onderdeel 'gezagsverhouding' wordt verduidelijkt. Schijnzelfstandigheid dient voorkomen te worden.   Het streven is dat de nieuwe wetgeving de volgende uitgangspunten bevat: Laag tarief arbeidsovereenkomst: Indien ZZP’ers een laag uurtarief (max. 18 euro per uur) hanteren en dit combineren met een langere duur van de overeenkomst (+3 maanden), is altijd sprake van een arbeidsovereenkomst. Opdrachtgeversverklaring: Opdrachtgevers krijgen een opdrachtgeversverklaring via het invullen van een web module. De verklaring geeft hen vooraf duidelijkheid en zekerheid bij de inhuur van zelfstandig ondernemers. Het geeft vooraf zekerheid van vrijwaring van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen. Gezagsverhouding: de term ‘gezagsverhouding’ zal worden verduidelijkt in de wet’. Hier moet nog invulling aan worden gegeven. Hoog tarief arbeidsovereenkomst à In de volgende gevallen komt voor ZZP’ers een opt-out voor de loonbelasting en werknemersverzekeringen: Indien ZZP’ers een hoog uurtarief (+75 euro) hanteren en daarnaast een korte overeenkomst (max. 12 maanden) hebben met de opdrachtgever. Indien ZZP’ers een hoog tarief combineert met specifieke bedrijfsactiviteiten.   In een kamerbrief van 26 november 2018 geeft Minister Koolmees aan dat de uitwerking van de maatregelen vertraging oplopen. Beoogd werd dat de wetgeving voor de onder - en bovenkantmaatregelen in de eerste helft van 2019 uit te zetten voor internetconsultatie. Vervolgens heeft Minister Koolmees in juni 2019 in een kamerbrief aangegeven dat het handhavingsmoratorium wordt verlengd tot 1 januari 2021, en dat er nog steeds wordt gewerkt aan nieuwe maatregelen van de Wet DBA die per 1 januari 2021 in werking kunnen treden. Desalniettemin is tot op heden geen uitspraak gedaan over de invulling en proces van de nieuwe Wet DBA.   Handhavingsmoratorium verlengd tot 1 januari 2021 Er is nog geen vervangende wet voor de DBA, en daarom is het handhavingsmoratorium verlengd tot 1 januari 2021. Ondanks dit moratorium zit de Belastingdienst niet stil. De Belastingdienst houdt toezicht op de arbeidsrelatie in het kader van de loonheffingen, geeft voorlichting en biedt een helpende hand om duidelijkheid te geven wanneer een arbeidsrelatie geen dienstbetrekking is volgens de huidige wet. Ook overlegt de Belastingdienst met sectoren, koepels en fiscaal dienstverleners. Contact en overleg met opdrachtgevers leidt in de meeste gevallen al tot aanpassing van de werkwijze en dus tot verbetering.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Leden van Bo dienen bij het eventueel inzetten van een ZZP’er de wet DBA in acht te nemen. Het lid van Bo en de ZZP’er dienen te kwalificeren om wat voor soort arbeidsrelatie het gaat. Is de ZZP’er volledig zelfstandig? Of is er feitelijk sprake van loondienst? Alhoewel handhaving van de wet tot in elk geval tot 1 januari 2018 opgeschort wordt dient alsnog rekening gehouden te worden met de wet. De belastingdienst treedt namelijk wel hard op tegen kwaadwillenden. Is er sprake van schijnzelfstandigheid, dus dat de ZZP’er feitelijk een werknemer is waarvoor premies afgedragen dient te worden, dan zal de belastingdienst hier hard tegen optreden om een voorbeeld te geven voor andere werkgevers en ZZP’ers.   In veel gevallen is het duidelijk dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. In twijfelgevallen kunnen zzp’ers en hun opdrachtgevers een modelovereenkomst gebruiken. Speciaal voor de sector kraamzorg zijn er modelovereenkomsten opgesteld. Bo adviseert haar leden dan ook om deze altijd te gebruiken. Deze modelovereenkomst is goedgekeurd door de Belastingdienst. Het termijn van goedkeuring van de modelovereenkomsten loopt tot april 2021. Het is de vraag of modelovereenkomsten vervangen worden, of verlengd worden. Bo heeft hierover contact opgenomen met de Belastingdienst en informeert de leden hiervan wanneer er meer informatie over bekend is.   Zie voor de modelovereenkomst kraamzorg de volgende webadressen: http://bogeboortezorg.nl/nieuws/modelovereenkomsten-kraamzorg-te-downloaden/ https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/modelovereenkomst_kraamzorg_via_kraamzorgbureau_brancheorganisatie_geboortezorg


Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG)

Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG)   Inleiding De Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG) wijzigt de Wet arbeid en zorg en een aantal andere wetten ter uitvoering van het in regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ van het kabinet-Rutte III opgenomen voornemen het (niet-overdraagbare) kraamverlof voor partners te verlengen. Partners die tot en met 31 december 2018 ouder zijn geworden, konden na de geboorte maximaal twee dagen betaald verlof krijgen, en aansluitend drie dagen onbetaald verlof. Met de komst van de WIEG heeft de partner van de moeder bij de geboorte van de baby recht op één vrije werkweek met loondoorbetaling, en de mogelijkheid om aanvullend 5 maal de wekelijkse arbeidsduur verlof aan te vragen binnen 6 maanden na de geboorte van het kind.   Het doel van deze wet De WIEG heeft als doel een positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de band tussen de partner en zijn of haar kind. Tevens vergroot  een ruimer kraamverlof de kansen van vrouwen op de arbeidsmarkt, omdat er minder verschil zit in de duur van verlof voor beide ouders. Tot slot draagt de wet bij aan het ontstaan van een meer evenwichtige balans in de verdeling van arbeid en zorgtaken tussen de partners in het huishouden.   Inhoud en toepassing van de wet De WIEG is gefaseerd in werking getreden. Met deze wet hebben partners in verband met de geboorte van het kind de volgende verlofrechten: Calamiteitenverlof met loondoorbetaling op de dag(en) van de bevalling; Adoptie verlof (pleegzorgverlof) is verlengt van vier weken tot zes weken met een uitkering ter hoogte van 100% van het dagloon (1 januari 2019); Eenmaal de wekelijkse arbeidsduur geboorteverlof met loondoorbetaling op te nemen binnen 4 weken na de geboorte (1 januari 2019); Vijfmaal de wekelijkse arbeidsduur aanvullend geboorteverlof met uitkering per week ter hoogte van 70% van het (maximum) dagloon op te nemen binnen zes maanden na de geboorte (bovenwettelijke aanvulling tot 100% van het dagloon is mogelijk) (per 1 juli 2020); 26 maal de wekelijkse arbeidsduur ouderschapsverlof tot de achtste verjaardag van het kind. Wettelijk is dit onbetaald, maar een aantal cao’s voorziet in gedeeltelijke loondoorbetaling.   Geboorteverlof Dit verlof moet binnen vier weken na de geboorte van het kind worden opgenomen. De partner heeft recht op de arbeidsduur in één werkweek. Dit verlof mag hij naar eigen goeddunken opnemen. De werkgever mag het verlof of de spreiding van het verlof niet weigeren. De werkgever betaalt het loon gedurende dit verlof door.   Aanvullend geboorteverlof Nadat de werknemer het geboorteverlof heeft opgenomen, heeft hij recht op vijf werkweken aanvullend geboorteverlof. Dit verlof wordt betaald door het UWV.  De werknemer krijgt 70% van zijn loon met een maximum van 70% van het maximum dagloon. Dit verlof moet binnen zes maanden na de geboorte van het kind worden opgenomen. De werkgever mag het verlof niet weigeren, maar als hij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft dan mag hij in overleg met de werknemer wel de spreiding van het verlof wijzigen. Let op: Het recht op dit aanvullende geboorteverlof kan slechts genoten worden indien eerst het geboorteverlof van eenmaal de wekelijkse arbeidsduur met loondoorbetaling door de werkgever is genoten.   Klik hier voor meer informatie.   Aanvraagprocedure De aanvraag van de uitkering voor het aanvullende verlof wordt gedaan door tussenkomst van de werkgever. De werkgever kan hiertoe een door UWV beschikbaar gesteld digitaal formulier indienen via de Verzuimmelder in het werkgeversportaal of via DigiPoort. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek die geldt voor de aanvraag van uitkeringen voor zwangerschaps- en bevallingsverlof en voor de aanvraag voor uitkeringen voor adoptie- en pleegzorgverlof. Ook deze uitkeringen worden door tussenkomst van de werkgever aangevraagd. Een keuze voor dezelfde werkwijze bevordert de uniformiteit en transparantie van de uitvoering van deze verlofregelingen.   Wetswijziging 2022 Het kabinet werkt momenteel aan een wetsvoorstel voor ‘deels’ betaald ouderschapsverlof wat vanaf de zomer van 2022 in werking zal treden. De regeling houdt in dat een werknemer per 2 augustus 2022 voor 9 van de 26 weken ouderschapsverlof waar hij recht op heeft, een uitkering kan ontvangen van het UWV. De werknemer ontvangt de uitkering alleen in het eerste jaar van de geboorte, en bedraagt 50% van het dagloon. Het deel van het ouderschapverlof dat na het eerste jaar overblijft kan de werknemer (onbetaald) opnemen totdat zijn of haar kind acht jaar is. Het kabinet geeft met de invoering van deze regeling invulling aan een verplichte Europese richtlijn voor een beter balans tussen werk en privé van ouders.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Kraamzorgorganisaties moeten voor werknemers die ouderschapsverlof aanvragen rekening houden met nieuwe verlofrechten die gelden sinds de WIEG. De werkgever is verplicht de werknemer die ouder wordt calamiteitenverlof met loondoorbetaling te geven op de dag van de bevalling. Daarnaast heeft de werknemer recht op eenmaal de wekelijkse arbeidsduur geboorteverlof met loondoorbetaling binnen 4 weken na de geboorte. Daarbovenop heeft de werknemer recht of vijfmaal de wekelijkse arbeidsduur aanvullend geboorteverlof met uitkering per week ter geboorte van 70% van het (maximum) dagloon op te nemen binnen zes maanden na de geboorte. Tot slot moet rekening worden gehouden met het adoptieverlof dat is verlengd van  vier weken tot zes weken met een uitkering ter hoogte van 100% van het dagloon.


Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)

Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)   Inleiding De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) vervangt de Kwaliteitswet zorginstellingen en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector en is per 1 januari 2016 in werking getreden. De Wkkgz geldt voor alle zorgaanbieders. Zowel voor zorginstellingen als zelfstandige beroepsbeoefenaren, zoals zzp’ers.   Het doel van deze wet De wet formuleert regels ten aanzien van de kwaliteit van zorg en wil de positie van cliënten in de zorg versterken door een effectieve behandeling van klachten en onafhankelijke behandeling van geschillen.   Inhoud en toepassing van de wet Kwaliteit De zorgaanbieder moet goede zorg aanbieden. Dat definieert de wet als zorg van goede kwaliteit en van goed niveau: die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend, en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt, waarbij zorgverleners handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard, waaronder de overeenkomstig artikel 66b van de Zorgverzekeringwet in het openbaar register opgenomen voor hen geldende professionele standaard, en waarbij de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht worden genomen en de cliënt ook overigens met respect wordt behandeld.   Van de zorgaanbieder wordt ook verwacht dat hij aandacht heeft voor systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg. Dit houdt o.a. in het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van de zorg op zodanige wijze dat de gegevens voor eenieder vergelijkbaar zijn met gegevens van andere zorgaanbieders van dezelfde categorie   Klachten en geschillen Op het gebied van klachten en geschillen regelt de wet het volgende:   Een goede en snelle aanpak van klachten Mensen kunnen gratis terecht bij de klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder. Uit de praktijk blijkt dat een goed gesprek tussen de cliënt en de zorgverlener het beste werkt. De klachtenfunctionaris kan zo’n gesprek eerder op gang brengen. Lost een gesprek het probleem niet op? Dan kan de cliënt een rechtszaak aanspannen. Maar de wet biedt ook een laagdrempelig alternatief: de onafhankelijke geschilleninstantie. Die doet een uitspraak waar beide partijen zich aan moeten houden. De geschilleninstantie kan ook een schadevergoeding toekennen.   Zorgmedewerkers kunnen veilig incidenten melden Zorgaanbieders hebben een interne werkwijze die regelt dat medewerkers veilig onzorgvuldigheden en incidenten in de zorgverlening kunnen melden. Doel is dat collega´s bevindingen met elkaar bespreken, ervan leren en zo samen de zorg verbeteren.   Cliënt heeft een sterker positie Zo heeft de cliënt recht op goede informatie over iets dat niet goed is gegaan in de verleende zorg. Bijvoorbeeld een gemaakte fout tijdens een operatie. De zorgaanbieder moet zo’n fout met de cliënt bespreken en dit in het cliëntendossier opnemen. Ook heeft de cliënt recht op informatie over de kwaliteit van de zorgverlening wanneer de cliënt daarom vraagt.   Uitbreiding meldplicht zorgaanbieders Zorgaanbieders moeten alle vormen van geweld in de zorgrelatie melden aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Net als ontslag van een zorgverlener wegens ernstig disfunctioneren.   De meldcode huiselijk geweld/kindermishandeling vindt in deze wet z’n grondslag, evenals het melden van incidenten.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Leden moeten hun klachtensysteem inrichten volgens de Wkkgz. De klachtenfunctionaris kan gezamenlijk worden afgenomen via Bo Geboortezorg (meer informatie via info@bogeboortezorg.nl) of zelfstandig worden georganiseerd. Aansluiting bij de geschillencommissie wordt door Bo gefaciliteerd. Bij aansluiting bij de geschillencommissie VVG betaald Bo Geboortezorg de aansluitkosten (lees hier meer).   De belangrijkste verplichtingen voortkomend uit de Wkkgz: Systeem voor veilig melden van incidenten Controleren functioneren zorgverlener voor indiensttreding Meldplicht bij Inspectie voor de Gezondheidszorg Extra informatieplicht Klachtenfunctionaris Geschilleninstantie Schriftelijke overeenkomsten   Meer informatie Voor uitgebreidere informatie klikt u hier.


Wet marktordening gezondheidszorg (WMG)

Wet marktordening gezondheidszorg (WMG) Inleiding De Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) regelt de ontwikkeling, ordening en het toezicht op de markten voor gezondheidszorg. De wet helpt de ontwikkeling van de kosten van de zorg in de greep te houden en beschermt de positie van de patiënt. De Wmg trad op 1 oktober 2006 in werking. Deze wet bepaalt de instelling van de Nederlandse Zorgautoriteit als zelfstandig bestuursorgaan, dat toezicht houdt op de markten voor zorg.   Het doel van deze wet Het doel van de Wet marktordening gezondheidszorg is een doelmatig en doeltreffend zorgstelsel, het beheersen van de kosten in de zorg. De wet richt zich onder meer op meer concurrentie in de zorg. Het belang van de consument staat hierbij voorop.   Inhoud en toepassing van de wet Via gereguleerde marktwerking in de zorg wil de overheid een beter systeem van gezondheidszorg bereiken dat stimuleert tot verhoogde efficiëntie en leidt tot betere kwaliteit, toegankelijkheid en transparantie. Zorgaanbieders moeten patiënten goed informeren over de prijs, de kwaliteit en andere eigenschappen van aangeboden zorg.   Ziektekostenverzekeraars moeten op een begrijpelijke manier aangeven wat er in hun zorgverzekering zit en wat de premie is. Zo kan de consument bewust kiezen voor een bepaalde behandeling, een bepaald ziekenhuis of een bepaalde verzekering.   Ook zijn in de Wmg regels opgenomen over tarieven, marktwerking en markttoezicht; de NZa treedt daarbij op als marktmeester. De NZa heeft de opdracht goed werkende zorgmarkten te maken en te bewaken. De NZa houdt toezicht op het gedrag van alle zorgaanbieders en zorgverzekeraars op de curatieve en langdurige zorgmarkt en kijkt of zij de wet naleven. De NZa stelt regels, budgetten en tarieven vast voor dat deel van de zorg dat is gereguleerd en stelt condities voor marktwerking vast, die geheel of gedeeltelijk geliberaliseerd kunnen worden.   Wetsvoorstel Oud-minister Schippers van VWS. Oud-minister Schippers van VWS heeft een wetsvoorstel voor wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) in 2016 ingezet. Een belangrijk onderdeel vormt de deregulering van de gezondheidszorg. De wetswijziging gaat uit van het principe dat er geen regels nodig zijn, tenzij er redenen zijn om wel te reguleren. Het plan van VWS is om in eerste instantie niets te veranderen. De bestaande prestaties blijven dus. Maar de NZa moet wel per sector in kaart brengen welke onderdelen in aanmerking komen voor deregulering. Daarmee kiest VWS voor het stapsgewijs afschaffen van de regulering rond prestaties en tarieven in de zorg. De beoogde wetswijziging is van toepassing voor zorg die valt onder de Zorgverzekeringswet, dus ook voor de kraamzorg.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Zorgverzekeraars kopen zorg in namens verzekerden. Door de Wmg is de marktwerking in de zorgsector bevorderd. Dit betekent dat de verzekerde een keuze heeft bij wie hij zorg wil inkopen en door wie hij de zorg geleverd wil hebben. Voor u als aanbieder betekent dit dat u onderscheidend en aantrekkelijk dient te zijn voor de klant zodat de keuze op uw organisatie valt.   Het ministerie van VWS stelt jaarlijks op advies van de NZa maximumtarieven vast. Dit betekent dat de zorgverzekeraars zorg kunnen inkopen tegen een tarief dat het maximum niet overschrijdt.   Wetswijziging Bub WMG Op 26 mei j.l. is het concept Wijziging Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG (Bub WMG) gepubliceerd. De wijziging richt zich op het uitzonderen van categorieën van zorgaanbieders die niet behoren tot de doelgroep van de artikelen 40a (eisen omtrent een transparante financiële bedrijfsvoering en regeling voor het gebruik van financiële derivaten) en 40b (eis van een openbare jaarverantwoording) van de Wet marktordening gezondheidszorg.   Hoewel de bepalingen rondom transparante financiële bedrijfsvoering en jaarverantwoording eerst vielen onder de WTZi, wordt dit met de nieuwe Wtza, geregeld onder artikel 40a van Wet Marktordening Gezondheidszorg (WMG). Omdat de inwerkingtreding van de Wtza niet meer per 1 januari 2021 kan plaatsvinden, wordt het verslagjaar 2021 een overgangsjaar voor de jaarverantwoording. Dit betekent dat de nieuwe uitgebreidere doelgroep zich over het verslagjaar 2022 overeenkomstig de nieuwe regels moet verantwoorden.   Gevolgen kraamzorg: Zowel organisaties als zzp’ers worden verplicht gesteld om jaarlijks een jaarverantwoording openbaar te maken.          


Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ)

Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz)   Inleiding Sinds december 2018 liep de ontwikkeling van de nieuwe Wmcz 2018 die per 1 juli 2020 in werking is getreden. In de Wmcz is vastgesteld dat de cliënten van instellingen in de ouderen-, gezondheids- en welzijnszorg inspraak hebben door middel van een cliëntenraad. In de cliëntenraad nemen cliënten zitting die representatief zijn voor de instelling en in staat zijn voor de belangen van de overige cliënten (achterban) op te komen. Het doel van deze wet Het doel van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ) is cliënten inspraak te geven in besluiten die van invloed zijn op zorgverlening en levenssfeer van cliënten. De WMCZ verplicht de kraamzorgorganisatie tot het instellen van een cliëntenraad. Deze behartigt binnen de instelling de gemeenschappelijke belangen van cliënten. Inhoud en toepassing van de wet Een cliëntenraad maakt het mogelijk dat cliënten invloed hebben op het beleid van de instelling, maar ook op gebieden waar het dagelijks leven van de cliënten zich afspeelt. Cliëntenraden hebben verschillende functies en rollen. Zo zijn er: de antenne. Cliëntenraden horen klachten en wensen. Dit kunnen signalen zijn die zij aan de orde kunnen stellen; de adviseur. Cliëntenraden hebben adviesrecht en instemmingsrecht en kunnen gevraagd en ongevraagd adviseren; de waakhond. Cliëntenraden letten erop dat de zorgaanbieder doet, wat hij moet doen en dat hij dit op de juiste manier doet. Dit houdt in dat cliënten de zorg krijgen die is afgesproken en aansluit op wat cliënten willen; de tolk. Cliëntenraden vertalen wensen en behoeften van mensen die zorg krijgen. Rechten cliëntenraad De cliëntenraad heeft verschillende rechten: Recht op informatie Recht op overleg Recht om te adviseren Recht op inspraak Bindende voordracht raad van toezicht Recht op facilitering Recht om extra bevoegdheden af te spreken   Het is belangrijk dat kraamzorgorganisaties in overleg met de cliëntenraad een medezeggenschapsregeling vaststellen waarin wordt vastgelegd hoe een cliëntenraad betrokken wordt bij de voorbereiding van diverse besluiten.   Wijzigingen verlichting tot instellen cliëntenraad De verplichting tot het instellen van een cliëntenraad hangt af van de volgende criteria: De organisatie valt onder de definitie van een zorginstelling volgens de definitie van de Wet Kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Kraamzorg organisaties vallen hier onder. De organisaties is niet uitgezonderd in het Besluit Wmcz 2018. Kraamzorg wordt niet uitgezonderd. De organisatie levert zorg door medisch specialisten of van persoonlijke verzorging, begeleiding of verpleging (met een verwijzing naar art. 3.1.1. Wlz of art. 2.10 Besluit zorgverzekering). Kraamzorg levert deze zorg Indien de organisatie niet in de onder 3 genoemde categorie valt, dan is de duur van het verblijf van cliënten in de instelling van belang. Als cliënten niet tenminste een etmaal binnen de organisatie kunnen verblijven wordt dat ambulante zorg genoemd.  In dat geval zal er vanaf (in de regel) 25 personen die zorg verlenen een cliëntenraad ingesteld moeten worden. Dit betreft ook de kraamzorg. Kraamzorgorganisaties moeten dus een cliëntenraad instellen tenzij zij minder dan 25 personen in dienst hebben die zorg verlenen.   De LOC heeft de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de oude wet in kaart gebracht in het document Basisinformatie medezeggenschap. Hierin zijn ook de rechten en plichten van de cliëntenraad en zorgaanbieder overzichtelijk omschreven. Ook heeft de Rijksoverheid een toegankelijke handreiking gemaakt over inspraak- een nieuw onderdeel van de Wmcz 2018.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Niet meer elke kraamzorgorganisatie is verplicht een cliëntenraad in te stellen om de belangen van de cliënten te behartigen. Kraamzorgorganisaties hoeven allen een cliëntenraad instellen als zij 25 personen of meer in dienst hebben die zorg verlenen. Jaarlijks moet er verslag gedaan worden (kan via het jaardocument).    


Wet meldplicht datalekken

Wet meldplicht datalekken   Inleiding Om datalekken te voorkomen, moeten bedrijven en overheden die persoonsgegevens gebruiken deze volgens de Wet bescherming personengegevens (Wbp) beveiligen. De Wbp stelt dat organisaties hiervoor passende maatregelen tegen moet nemen. Organisaties dienen voordat ze over gaan tot het inzamelen van persoonsgegevens na te denken over de beveiliging hiervan. Mocht er eventueel alsnog sprake zijn van een datalek dan dient hiervan direct melding te worden gemaakt bij de Autoriteit Persoonsgegevens.   Het doel van deze wet Het doel van deze wet is om de betrokkene waarvan de gegevens zijn gelekt in staat te stellen om zich op de mogelijke gevolgen van het datalek voor te bereiden. Denk bijvoorbeeld aan het vervangen van een wachtwoord. Hoe eerder de betrokkene over het datalek geïnformeerd wordt, hoe eerder deze in actie kan komen.   Inhoud en toepassing van de wet Wanneer spreek men van een datalek? Er is alleen sprake van een datalek als zich daadwerkelijk een beveiligingsincident heeft voorgedaan. Hierbij moet u denken aan bijvoorbeeld het kwijtraden van een USB, diefstal dan wel verlies van een laptop. Ook moet u denken aan een inbraak door een hacker.   Melding van een eventueel datalek kan worden gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens via het meldloket datalekken. Daarnaast dient het datalek ook worden gemeld aan de betrokkene indien het waarschijnlijk ongunstige gevolgen zal hebben voor diens persoonlijke levenssfeer. Er is alleen sprake van een beveiligingslek als in voorgaande situaties ook daadwerkelijk persoonsgegevens verloren gaan of als het datalek leidt tot een aanzienlijke kans op ernstige gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens. Niet ieder datalek hoeft dus gemeld te worden aan de Autoriteit Persoonsgegevens.   Bij het eventueel niet naleven van de regels kan een boete op worden gelegd.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Indien leden van Bo Geboortezorg te maken krijgen met een datalek dienen ze dit ingevolge deze wet direct te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens via het meldloket datalekken. Denk aan de persoonsgegevens van cliënten en/of werknemers die op straat zouden kunnen komen te liggen. Als het datalek daadwerkelijk ongunstige gevolgen zou kunnen hebben voor de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, dient er een melding gemaakt te worden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en in sommige gevallen aan de betrokkene zelf.


Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Wnt)

Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Wnt)   Het doel van deze wet Werknemers in de semipublieke sector zijn onderhavig aan de Wet Normering Topinkomens. Volgens de WNT geldt er voor topinkomens een beloningsmaximum van de hoogte van het salaris van een minister. Het doel van de WNT is om het salaris van bestuurders in voornamelijk de zorg te maximeren.   Inhoud en toepassing van de wet De WNT richt zich op de hoogste leidinggevenden binnen de publieke en semipublieke sector. Naarmate een onderdeel van de semipublieke sector zich dichter bij de publieke sector bevindt, is die normering strikter. Alle WTZi-toegelaten instellingen, incl. instellingen die van rechtswege als toegelaten worden aangemerkt zoals de kraamzorg, vallen onder de werkingssfeer van de WNT.   De normering geldt alleen voor de topfunctionarissen: daarmee worden bedoeld de bestuurders, de hoogste interne toezichthouders, de hoogst leidinggevende functionarissen of het hoogste managementniveau van een instelling.   Uit de sectorregeling (regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp) valt op te maken wat het maximale toegestane salaris voor bestuurders uit de sector is. Deze beoordeling geschiet op basis van een klassensysteem. Het toegestane bezoldigingsmaximum wordt vastgesteld op basis van de karakteristieken van een rechtspersoon of instelling (of een groep van rechtspersonen of instellingen) waaraan de topfunctionaris leiding geeft. Het uitgangspunt is dat voor grotere, complexere rechtspersonen of instellingen een zwaarder functieprofiel vereist is dan voor kleinere, eenvoudige rechtspersonen of instellingen. Bij een hogere functiezwaarte is een hogere bezoldiging passend. Om in een hogere klasse ingedeeld te worden dient alvorens toestemming gevraagd te worden aan de minister van VWS.   De minister beschikt over instrumenten ter handhaving en sanctionering bij overschrijding van de gestelde norm. Hogere bezoldigingen worden gezien als onverschuldigd betaald.   Evaluatiewet WNT Door de inwerkingtreding van de Evaluatiewet WNT op 1 juli 2017 is de wet op verschillende vlakken aangescherpt om wetsontwijking tegen te gaan. Met ingang van 1 januari 2018 gelden de volgende regels: Publicatieplicht WNT-gegevens op internet: WNT-instellingen zijn verplicht de WNT-verantwoording openbaar toegankelijk op internet te publiceren voor een periode van tenminste zeven jaar, als onderdeel van de jaarrekening of desgewenst als apart document. Kraamzorgorganisaties kunnen gebruik maken van het modelverantwoording WNT voor het jaarlijks openbaar maken van de jaarstukken. De digitale melding van WNT-gegevens: De WNT-gegevens hoeven niet meer via een (aparte) vragenlijst in de aanleverportaal DigiMV worden aangeleverd. Deze gegevens worden alleen nog in de financiële jaarstukken van de zorgorganisaties opgenomen. Aanscherping van de personele reikwijdte van de WNT: een topfunctionaris die tenminste twaalf maanden een topfunctie heeft vervuld en vervolgens een niet-topfunctie gaat vervullen bij dezelfde instelling blijft nog vier jaar aangemerkt als topfunctionaris. Anticumulatiebepaling: de WNT maximeert de totale bezoldiging uit functies als leidinggevende topfunctionaris bij verschillende WNT instellingen tot het algemeen bezoldigingsmaximum , tenzij voor de betreffende topfunctionaris een uitzondering geldt op grond van artikel 2.4 of 2.5 of een hoger sectoraal bezoldigingsmaximum op grond van paragraaf 3 van de WNT.   Bovendien heeft Minister Knops van Buitenlandse zaken in een brief aan de Tweede kamer aangekondigd bezig te zijn met een tweede wetsevaluatie die in volle gang is om te bezien of de doelen van de wet op een eenvoudigere manier te bereiken zijn. Minister Knops verwacht in december 2020 deze uitkomsten met de Kamer te delen.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Wat moeten kraamzorgorganisaties doen? De inkomens en eventuele ontslagvergoedingen van hun topfunctionarissen normeren met een maximumplafond. Jaarlijks de bezoldigings­gegevens en eventuele ontslagvergoedingen van hun topfunctionarissen in de jaarstukken openbaar maken. Daarbij kunt u gebruik maken van het modelverantwoording WNT. Overschrijdingen van de norm moeten worden gemotiveerd.   De inkomens en eventuele ontslagvergoedingen van hun topfunctionarissen normeren met een maximumplafond. De norm voor 2020 is vastgesteld op € 201.000 inclusief belaste kostenvergoedingen en pensioenbijdrage werkgever (lees meer). Er is ook een sectorale regeling voor de zorg opgesteld waarin de verschillende klassen met bijbehorende norm zijn gepubliceerd. Voor alle regiems geldt dat de transitievergoeding niet hoger mag zijn dan het jaarsalaris, met een maximum van € 75.000. Dit volgt uit de Wet Werk & Zekerheid (WWZ)   Jaarlijks de bezoldigings­gegevens en eventuele ontslagvergoedingen van hun topfunctionarissen in de jaarstukken openbaar maken. Kraamzorgaanbieders krijgen te maken met het bezoldingsmaximum. Daarbij geldt openbaarmaking: voor de topfunctionarissen hun naam + het bezoldigingsbedrag. Wordt er elders in de instelling meer verdiend dan het bezoldigingsmaximum, dan moet die bezoldiging op functienaam bekend gemaakt worden. De WNT-verantwoording openbaar toegankelijk op internet publiceren voor een periode van tenminste zeven jaar. De gegevens moeten vrij toegankelijk en eenvoudig te vinden zijn.   WNT-gegevens kunt u aanleveren tegelijkertijd met het jaardocument maatschappelijke verantwoording. Indien u geen JMV aanlevert kunt u de WNT-gegevens aanleveren bij het ministerie van BKR, via topinkomens.nl . Daar treft u een model verantwoording aan (met invulinstructies).   Klik hier voor een overzicht met vraag & antwoorden betreffende de Wet Normering Topinkomens.    


Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO)

Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO)   Inleiding Een collectieve arbeidsovereenkomst (Cao) is een schriftelijke overeenkomst waarin afspraken over arbeidsvoorwaarden zijn vastgelegd. Bijvoorbeeld loon, toeslagen, betaling van overwerk, werktijden, proeftijd, opzegtermijn of pensioen. Ook zaken als scholing, kinderopvang en pensioen kunnen in een Cao worden geregeld. Een Cao wordt afgesloten tussen een werkgever of werkgeversorganisatie(s) en een of meer werknemersorganisaties (meestal vakbonden).   Het doel van deze wet Het doel van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst is het gezamenlijk opstellen van arbeidsvoorwaarden door werkgevers- en werknemerspartijen ten behoeve van de sector en passend bij de sector. Inhoud en toepassing van de wet Wat er in een arbeidsovereenkomst of arbeidscontract staat, is in de eerste plaats een afspraak tussen de werkgever en werknemer. Wel zijn er wetten/regels waar die afspraken niet mee in strijd mogen zijn. De belangrijkste: Het Burgerlijk Wetboek (BW). Hierin zijn regels opgenomen over bijvoorbeeld proeftijd, vakantie, opzegtermijnen en ontslag. Bij elke regel staat of ervan afgeweken mag worden in de Cao of in de arbeidsovereenkomst; De Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag. Hierin staat dat werkgevers minstens het minimumloon moeten betalen; De Arbeidstijdenwet (ATW) over regels aangaande werktijden en rusttijden; De Arbeidsomstandighedenwet. De overheid stelt doelen vast voor de veiligheid en gezondheid in bedrijven. In deze wet staat beschreven welke mate van bescherming bedrijven moeten bieden aan werknemers, zodat zij veilig en gezond kunnen werken; De Wet arbeid en zorg. Hierin staat informatie over een aantal verlofregelingen waarop een werknemer recht kan hebben; Wetgeving over gelijke behandeling. Hierin staat onder meer dat er geen verschil mag worden gemaakt in de arbeidsvoorwaarden tussen mannen en vrouwen, autochtonen en allochtonen, werknemers die voltijds of in deeltijd werken, werknemers met een vast of tijdelijk contract, mensen met en zonder handicap of chronische ziekte. De onlangs aangenomen Wet werk en zekerheid (zie verderop), met bijv. regels over opzegtermijn, proeftijd, concurrentiebeding, loondoorbetalingsverplichting. Daarnaast is er het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) en het Ontslagbesluit, waarin regels over ontslag staan.   AVV Een Cao die algemeen verbindend verklaard is (AVV), geldt voor alle organisaties die onder de werkingssfeer van die Cao vallen. Is een Cao (nog) niet algemeen verbindend verklaard, dan zijn alleen de leden van de werkgeverspartijen die de Cao mede hebben afgesloten, eraan gebonden.    


Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)

Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)   Inleiding Patiënten en hulpverleners hebben rechten en plichten. Deze staan vastgelegd in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO).  Deze wet is van belang voor iedereen die met medische zorg te maken krijgt. Zodra een arts een patiënt gaat onderzoeken of behandelen, is sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst zonder contract.   De behandelingsovereenkomst is de overeenkomst waarbij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, de hulpverlener, zich in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover een ander, de opdrachtgever, verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een bepaalde derde. Onder deze handelingen wordt ook verstaan het verplegen en verzorgen van de patiënt en het overigens rechtstreeks ten behoeve van de patiënt voorzien in de materiële omstandigheden waaronder die handelingen kunnen worden verricht (art. 7:466 BW).   Op 24 juni 2019 is een wijziging in de WGBO aangenomen. Deze wijzigingen zijn vanaf 1 januari 2020 van kracht. De wijziging strekt ertoe de positie van de patiënt verder te verduidelijken en te versterken. Het doel is om van een eenzijdige informatieplicht van de hulpverlener steeds meer naar de kan van “samen beslissen” te gaan. Het doel is daarmee dat de patiënt betere beslissingen kan nemen. Het doel van deze wet De wet heeft tot doel de rechtspositie van de patiënt te versterken.   Inhoud en toepassing van de wet De WGBO is een van de belangrijkste wetten waarin patiënten-rechten staan. In de WGBO staan allerlei rechten en plichten die bij deze geneeskundige behandelingsovereenkomst horen. De WGBO stelt regels voor: het recht op informatie door de hulpverlener en op een second opinion; toestemming voor een medische behandeling; inzage in het medisch dossier; geheimhoudingsverplichting voor de hulpverlener; het recht op privacy tijdens een medische behandeling; vertegenwoordiging van patiënten die niet zelf kunnen beslissen Naast rechten hebben patiënten ook plichten: de patiënt moet de zorgverlener volledig informeren.  De patiënt moet zo veel mogelijk met de zorgverlener meewerken en adviezen opvolgen.   De wet heeft ook een praktische vertaling gekregen in een aantal hulpmiddelen, zoals tips, checklists en handleidingen. Deze gaan over informatie en toestemming, dossier en bewaartermijnen en de toegang tot patiëntengegevens. Deze handleidingen staan op de site van de KNMG.   De belangrijkste wijzigingen vanaf 1 januari 2020 zijn: Aanvulling van de informatieplicht: Er wordt meer nadruk gelegd op ‘samen beslissen’. De informatieplicht van de hulpverlener wordt aangevuld met de verplichting tijdig overleg te voeren met de patiënt waarbij de patiënt ook wordt uitgenodigd tot het stellen van vragen. De cliënt moet geïnformeerd worden over: de mogelijkheid af te zien van behandeling, andere onderzoeken en behandelingen door andere hulpverleners, de uitvoeringstermijn van de behandeling en de verwachte tijdsduur daarvan. Aanpassing regels bewaartermijn: De bewaartermijn van medische dossiers wordt verlengd van 15 naar 20 jaar en ook het moment waarop de bewaartermijn aanvangt wijzigt. De bewaartermijn gaat in vanaf de laatste wijziging in het dossier. Dat is dus één datum voor alle gegevens in het dossier. Dit kan dus betekenen dat bepaalde medische gegevens veel langer bewaard zouden blijven dan voorheen. Inzagerecht van nabestaanden: Nabestaanden krijgen een wettelijk recht op inzage in het dossier van een overleden patiënt. Omstandigheden waaronder nabestaanden inzage kunnen krijgen: wanneer de patiënt bij leven hiervoor toestemming heeft gegeven; wanneer op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een mededeling van een incident is ontvangen; ‘voor een ieder’ op grond van een zwaarwegend belang; voor de ouders en voogd van een overleden kind jonger dan 16 geldt een bijzondere regeling voor inzage.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg In de WBGO staat vermeld dat voor het bewaren van medische gegevens een termijn van 20 jaar vereist is vanaf beëindiging van de zorgverlening. Dit betekent dat u de medische gegevens uit de cliënten/zorgdossiers minimaal 20 jaar dient te bewaren. Voor de overige gegevens zijn de bewaartermijnen van de Wet bescherming personeelsgegevens van toepassing.   Houdt u het dossier elektronisch bij, dan is het van belang te weten dat de juridische status van een papieren dossier hetzelfde is als van een elektronisch. U hoeft overigens niet beide te bewaren; het papieren dossier mag vernietigd worden. Is er sprake van een gescand dossiers, dan mag over de authenticiteit van het ingescande materiaal geen twijfel bestaan (eventueel laat u het verzorgen door een gespecialiseerd bureau) en u moet er zeker van zijn dat de gegevens toegankelijk blijven. Belangrijke originele documenten (wilsverklaring) kunt u voor de zekerheid ook nog apart bewaren.


Wet op de ondernemingsraden (WOR)

Wet op de ondernemingsraden (WOR)   Inleiding De Wet de ondernemingsraden (WOR) is in z’n eerste versie verschenen in 1950, en regelt de medezeggenschap van werknemers in ondernemingen. Op grond van de WOR moet de onderneming een ondernemingsraad (OR) instellen als er ten minste 50 personen werkzaam zijn.   Het doel van deze wet De wet wil een OR “in het belang van het goed functioneren van die onderneming in al haar doelstellingen” en “ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen”. De wet stelt regels over hoe de ondernemingsraad samengesteld moet worden en hoe overleg plaatsvindt tussen ondernemer (de bestuurders) en de ondernemingsraad. De wet beschrijft de taken en bevoegdheden van de ondernemingsraad, waarvan de belangrijkste zijn het adviesrecht en het instemmingsrecht. Inhoud en toepassing van de wet Een ondernemingsraad moet worden ingesteld als de onderneming 50 of meer medewerkers werken. Het aantal medewerkers bepaald ook de grootte van de ondernemingsraad: met minder dan 50 personen 3 leden; met 50 tot 100 personen 5 leden; met 100 tot 200 personen 7 leden; met 200 tot 400 personen 9 leden; met 400 tot 600 personen 11 leden; met 600 tot 1000 personen 13 leden; met 1000 tot 2000 personen 15 leden; en zo vervolgens bij elk volgend duizendtal personen 2 leden meer, tot ten hoogste 25 leden. In het reglement kan hiervan worden afgeweken.   De ondernemingsraad heeft bij bepaalde typen van beleid het recht een rol te spelen in de besluitvorming. Dit recht komt met name tot uitdrukking in resp. het overleg-, het instemmings-, het advies- en het initiatiefrecht.   Overlegrecht De OR heeft het recht overleg te voeren met de werkgever algemene gang van zaken van de onderneming. De werkgever is verplicht om hieraan mee te werken. Minstens twee keer per jaar dient een overlegvergadering plaats te vinden waarin de OR en de werkgever de algemene gang van zaken van de onderneming bespreken. De werkgever deelt mee welke belangrijke besluiten hij voorbereidt over financiën of de organisatie en spreekt met de OR af wanneer en hoe de OR in de besluitvorming wordt betrokken.   Instemmingsrecht Voor besluiten die direct betrekking hebben op een aantal personele regelingen (zoals een werktijdenregeling of een regeling met betrekking tot arbeidsomstandigheden) moet de ondernemer instemming hebben van de OR voordat het besluit ten uitvoer kan worden gebracht. Als de OR niet instemt met het voorstel en de ondernemer toch zijn besluit wil uitvoeren, dient hij een gerechtelijke procedure aan te spannen.   Adviesrecht Voor besluiten die belangrijke financiële, economische en/of organisatorische gevolgen hebben voor de onderneming, moet de ondernemer door middel van een adviesaanvraag advies inwinnen bij de OR. De ondernemer moet het advies serieus meewegen in de besluitvorming. Wijkt de ondernemer af van het advies, dan moet hij dit schriftelijk motiveren naar de OR. Wanneer de ondernemer een besluit neemt dat afwijkt van het advies van de OR, dan moet de ondernemer een maand wachten tot hij het besluit uit mag voeren.   Initiatiefrecht De OR kan de ondernemer voorstellen doen over zaken die de onderneming betreffen. Leden van een OR hebben tijdens en tot twee jaar na beëindiging van hun OR-lidmaatschap een zekere mate van ontslagbescherming. Gedurende het OR-lidmaatschap mag de werkgever de arbeidsovereenkomst met het OR-lid niet opzeggen, tenzij er sprake is van reorganisatie. Datzelfde geldt voor de ambtelijk secretaris van de OR (die niet zelf lid van de OR is). Wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst wil opzeggen met een werknemer die op de kandidatenlijst voor de OR staat, of met een werknemer die korter dan twee jaar geleden lid van de OR is geworden, heeft hij daarvoor toestemming van de kantonrechter nodig. De ontslagbescherming geldt niet bij ontslag tijdens proeftijd of wegens dringende reden. Medezeggenschap in kleine ondernemingen De WOR gaat ook over medezeggenschap in kleinere ondernemingen (artikel 35b en verder WOR). Over het algemeen hoeft daar geen OR te worden ingesteld. Voor ondernemingen waar in de regel tussen de 10 en 50 personen werken, kan de ondernemer een personeelsvertegenwoordiging (PVT) instellen. De ondernemer móet dit doen als de meerderheid van het personeel daar om vraagt. Ook in ondernemingen waar in de regel minder dan 10 personen werken, mag de ondernemer een PVT instellen. De WOR kent aan de PVT ook diverse rechten en faciliteiten toe, zoals het recht op informatie en het recht op instemming bij een werktijdregeling. De wettelijke rechten en faciliteiten van de PVT zijn over het algemeen minder (vergaand) dan die van de OR. De WOR regelt voor ondernemingen waar in de regel tussen de 10 en 50 personen werken en waar geen OR of PVT is ingesteld, dat de ondernemer twee keer per jaar met het personeel bijeen moet komen in een personeelsvergadering (PV). Daarin wordt de algemene gang van zaken van de onderneming besproken. Ook kunnen zaken besproken worden die de onderneming aangaan en waarover de ondernemer of werknemers overleg wensen.   De Wet op de ondernemingsraden is per 19 juli 2013 gewijzigd. Expliciet is nu opgenomen dat de kosten voor scholing ten laste komen van de werkgever. Verder hoeft de OR het reglement en jaarverslag niet meer naar de bedrijfscommissie op te sturen. Ook de verplichting om bij een conflict de bedrijfscommissie in te schakelen is eveneens vervallen, maar een verzoek om bemiddeling is nog steeds mogelijk.   Per 1 januari 2019 is de Wet op Ondernemingsraden (WOR) wederom gewijzigd. Het jaarlijkse gesprek over lonen en beloningsverschillen binnen het bedrijf is verplicht geworden. Dat geldt voor ondernemingen met 100 en meer werknemers. Het doel is om bewustzijn en transparantie over dit onderwerp binnen bedrijven te stimuleren.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg De WOR geldt ook voor zorginstellingen. Bij meer dan 50 medewerkers dient u een OR te installeren, de werkgever neemt hiervoor het initiatief. Heeft u minder werknemers, dan moet u in ieder geval twee keer per jaar een personeelsvergadering organiseren.   Kosten De WOR stelt dat de ondernemer verplicht is een vergoeding te geven in de vorm van tijd: De ondernemer is verplicht de leden van de ondernemingsraad gedurende een door de ondernemer en de ondernemingsraad gezamenlijk vast te stellen aantal uren per jaar, in werktijd en met behoud van loon dan wel bezoldiging de gelegenheid te bieden voor onderling beraad en overleg met andere personen over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun taak zijn betrokken, alsmede voor kennisneming van de arbeidsomstandigheden in de onderneming. De ondernemer is verplicht de leden van de ondernemingsraad gedurende een door de ondernemer en de ondernemingsraad gezamenlijk vast te stellen aantal dagen per jaar, in werktijd en met behoud van loon dan wel bezoldiging de gelegenheid te bieden de scholing en vorming van voldoende kwaliteit te ontvangen welke zij in verband met de vervulling van hun taak nodig oordelen. De ondernemer en de ondernemingsraad stellen het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en het aantal dagen, bedoeld in het tweede lid, vast op een zodanig aantal als de betrokken leden van de ondernemingsraad en van de commissies van die raad voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig hebben. Daarbij wordt in acht genomen dat het aantal uren niet lager vastgesteld kan worden dan zestig per jaar en het aantal dagen niet lager dan 5 per jaar. Daarnaast komen alle kosten die die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad en de commissies van die raad komen ten laste van de ondernemer. Dit kan bijv. zijn: scholing of het raadplegen van een deskundige. De ondernemer moet hier wel van te voren van op de hoogte zijn gebracht. De SER publiceert jaarlijks richtbedragen voor scholing van de OR; scholingsinstituten kunnen zich laten certificeren bij SCOOR. Meer over de scholing van de OR staat in art. 18 van de WOR. Ook vindt u op de website van de SER een voorbeeldreglement en een leidraad PVT.   De cao kan aan een ondernemingsraad een extra bevoegdheden toekennen.   Leden van Bo Geboortezorg met meer dan 100 werknemers dienen in navolging op de wetwijziging er voor te zorgen dat zij de bestuurders jaarlijks in gesprek treden met de OR over de beloning van de verschillende werknemers bij de kraamzorgorganisatie.


Wet toelating zorginstellingen (WTZi)

Wet toelating zorginstellingen (WTZi)   Het doel van deze wet Het doel van de WTZi was om geleidelijk meer vrijheid en verantwoordelijkheid voor de zorginstellingen te creëren en het verminderen van overheidsbemoeienis met de capaciteit en de bouw van zorginstellingen. De Wet toelating zorginstellingen (WTZi) is op 1 januari 2006 in werking getreden. Zorginstellingen hebben een toelating nodig wanneer zij zorg willen aanbieden die op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) voor vergoeding in aanmerking komt. De WTZi regelt de toelatingen, stelt regels over goed bestuur en bepaalt daarnaast in welke gevallen winst uitgekeerd mag worden.   Kraamzorgorganisaties zijn als toegelaten aangemerkt.   Inhoud en toepassing van de wet Een WTZi-toelating moet worden aangevraagd wanneer: een nieuwe instelling wordt opgericht om zorg te leveren die valt binnen de Zvw of de Wlz; een instelling zorg aan gaat bieden die niet in de huidige toelating is verwerkt; het aantal intramurale plaatsen waarvoor hij is toegelaten wil wijzigen; Sommige instellingen zijn als toegelaten aangemerkt en hoeven feitelijk geen toelating aan te vragen. Hieronder vallen kraamzorginstellingen.   Bij een aanvraag voor een toelating wordt getoetst of aan bepaalde eisen wordt voldaan. De  belangrijkste zijn de bereikbaarheid van acute zorg en de transparantie-eisen inzake de bestuursstructuur en bedrijfsvoering (zoals vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit WTZi en de WTZi beleidsregels). Het CIBG registreert alle WTZi toegelaten instellingen.   Er kan een toelating aangevraagd worden voor een stichting, BV of VOF als rechtsvorm van de instelling. De WTZi verplicht niet tot bepaalde rechtsvormen en verbiedt geen rechtsvormen. Wel is van belang dat uitsluitend instellingen in aangewezen categorieën een winstoogmerk mogen voeren. Instellingen die persoonlijke verzorging, verpleging, behandeling of begeleiding aanbieden mogen een winstoogmerk hebben.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Transparantie-eisen Als zorgorganisatie dient u te voldoen aan de transparantie-eisen. Deze worden hieronder uitgelegd. Eisen bestuursstructuur: Er is een orgaan dat toezicht houdt op het beleid van de dagelijkse of algemene leiding van de instelling en deze met raad ter zijde staat; geen persoon kan tegelijk deel uitmaken van het toezichthoudend orgaan en de dagelijkse of algemene leiding; Het toezichthoudend orgaan is zodanig samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar, de dagelijkse en algemene leiding van de instelling en welk deelbelang dan ook onafhankelijk en kritisch kunnen opereren; De instelling legt inzichtelijk de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het toezichthoudend orgaan en de dagelijkse of algemene leiding vast, alsmede de wijze waarop interne conflicten tussen beide organen worden geregeld. Instellingen die rechtspersoon zijn leggen het in het eerste lid bepaalde vast in de statuten; de overige instellingen leggen dat anderszins schriftelijk vast. een zorginstelling moet in de statuten opnemen wie een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer kan indienen.   Eisen bedrijfsvoering: schriftelijk vastleggen hoe de zorgverlening is georganiseerd en wat de bevoegdheidsverdeling is ten aanzien van de bedrijfsvoeringsaspecten; er is inzicht in de (aard van de) samenwerkingsrelaties met andere rechtspersonen; er is een adequate financiële administratie; de activiteiten van de instelling waarvoor de toelating geldt, worden (financieel) onderscheiden van de overige activiteiten van de instelling. Jaarverantwoording Een instelling met een WTZi-toelating dient jaarlijks te verantwoorden met het Jaardocument Zorg. Dit document bestaat uit de jaarrekening en kwantitatieve gegevens (via DigiMV) en verplichte bijlagen (o.a. handtekeningenformulier, en een accountants-/samenstelling- of beoordelingsverklaring).   Kraamzorginstellingen zijn op dit moment niet verplicht om zich te verantwoorden via de Jaarverantwoording Zorg. Op termijn wordt dit waarschijnlijk verplicht. Met de sector kraamzorg is wel al afgesproken dat kraamzorginstellingen zich net als andere zorgsectoren zich nu al gaan verantwoorden via de Jaarverantwoording Zorg.   Er zijn op dit moment 3 situaties mogelijk: U heeft een brief ontvangen van Jaarverslagen Zorg en u wilt zich verantwoorden. U hoeft geen contact op te nemen. U kunt vanaf 1 januari starten met het aanleveren van uw gegevens via het digitale portaal DigiMV. U heeft een brief ontvangen van Jaarverslagen Zorg maar u wilt zich niet verantwoorden. Neem contact op en laat uw DigiMV-code blokkeren. U bent niet aanschreven door Jaarverslagen Zorg en u wilt zich wel verantwoorden. Vraag een DigiMV-code aan. Let op! Voor de toegang tot het aanleverportaal DigiMV heeft u ook een eHerkenningsmiddel nodig. Regel dit op tijd.   Wetsvoorstel WTZa De bepalingen over toelating van zorgaanbieders in de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) vervallen en worden vervangen in de WTZa. Uit onderzoek is gebleken dat de IGJ onvoldoende in staat is om te beoordelen of een nieuwe zorgaanbieder goede zorg kan verlenen. De tijd die de IGJ nu bezig is met informatievergaring gaat ten koste van het toezicht. Het wetsvoorstel Wet toetreding zorgaanbieders moet daar verandering in gaan brengen.   Het wetsvoorstel Wet toetreding zorgaanbieders (WTZa) is momenteel in behandeling bij de Tweede Kamer. Doel van dit wetsvoorstel is kort gezegd om sneller en meer informatie bij de IGJ te krijgen over nieuwe zorgaanbieders. Aan de hand van deze informatie kan de IGJ bepalen welke zorgaanbieders worden bezocht om te toetsen of de kwaliteit van zorg op peil is. Ook is het de bedoeling dat zorgaanbieders zich beter bewust worden van de eisen die worden gesteld aan zorgverlening en hun verantwoordelijkheid hiervoor. De WTZa introduceert een nieuwe meldplicht en een hernieuwde toelatingsprocedure.   De WTZa zal gaan gelden voor alle aanbieders van zorg die vallen onder artikel 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Een zorgaanbieder die valt onder de WTZa kan zowel een solistisch werkende zorgverlener zijn als een instelling. Het gaat in de WTZa om Wlz-zorg, Zvw-zorg of ‘andere zorg’ (zoals cosmetische ingrepen of alternatieve geneeswijzen). Kraamzorg organisaties zullen in de toekomst derhalve onder de WTZa vallen.   Meldplicht nieuwe aanbieders De meldplicht houdt in dat een zorgaanbieder zich, voordat hij begint met zorgverlening, moet melden bij een digitaal portaal (beheerd door het CIBG) waar diverse vragen ingevuld moeten worden. Die vragen gaan onder andere in op de aard en de kwaliteit van de te leveren zorg. De IGJ krijgt toegang tot de gegeven antwoorden, waarna de IGJ selecteert welke zorgaanbieders worden bezocht. De meldplicht is eenmalig en geldt alleen voor nieuwe zorgaanbieders. Dit zijn zorgaanbieders die ná de inwerkingtreding van de WTZa beginnen met het verlenen van zorg. De meldplicht geldt ook voor bestaande zorgaanbieders die ná de inwerkingtreding hun werkzaamheden gaan uitbreiden en daardoor vallen onder de reikwijdte van de WTZa.   Bestaande kraamzorgaanbieders In de vernieuwde toelatingsprocedure wordt meer informatie gevraagd aan de zorgaanbieder en wordt de kring van zorgaanbieders die deze toelating moet aanvragen vergroot. De extra informatie die wordt gevraagd ziet met name op goede kwaliteit van zorg. Op grond van de WTZa moet een toelating worden aangevraagd door instellingen met meer dan 10 zorgverleners die Wlz- of Zvw-zorg leveren. Aangezien de kraamzorg onder Zorgverzekeringswet (Zvw) valt geldt dit ook voor kraamzorg organisaties.   Kraamzorgaanbieders kunnen dus verplicht zijn (om vooraf) een toelating aan te vragen, namelijk als de grens van 10 zorgverleners wordt overschreden. Een uitzondering (qua termijn) is gemaakt voor bestaande zorgaanbieders van Wlz-zorg of Zvw-zorg die eerst geen toelating hoefden aan te vragen, maar dit vanwege de overschrijding van het aantal zorgverleners ineens wel verplicht zijn. Deze zorgaanbieders moeten binnen zes maanden nadat zij verplicht zijn geworden een toelating aan te vragen, de toelating daadwerkelijk hebben aangevraagd. Er bestaat ook  nog een andere overgangsperiode. Bestaande zorgaanbieders die op grond van de WTZi geen toelating nodig hebben en op grond van de WTZa wel, krijgen een termijn van twee jaar om de toelating aan te vragen. Deze termijn geldt ook voor zorgaanbieders die onder de WTZi van rechtswege een toelating hebben en vallen onder de werking van de WTZa.   Indien niet wordt voldaan aan de vereisten in de WTZa kan (afhankelijk van welk artikel wordt overtreden) de toelating worden geweigerd, ingetrokken, een last onder dwangsom of een boete worden opgelegd.   Transparante financiële bedrijfsvoering en jaarverantwoording Hoewel de bepalingen rondom transparante financiële bedrijfsvoering en jaarverantwoording eerst vielen onder de WTZi, wordt dit met de nieuwe Wtza, geregeld onder artikel 40a en 40b van Wet Marktordening Gezondheidszorg (WMG). Artikel 40a van WMG verplicht kraamzorgorganisaties en zpp’ers per verslagjaar 2022 jaarlijks een jaarverantwoording openbaar te maken.   Inwerkingtreding Het kabinet is voornemens de Wtza per 1 juli 2021 in werking te laten treden. Dit stond eerst gepland op 1 januari 2021, maar is door COVID-19 vertraagd.   Recentelijk is de nadere regelgeving met betrekking tot de WTZa gepubliceerd ter consultatie; het concept Uitvoeringsbesluit Wtza. Bo heeft op 21 juli reactie op gegeven. De uitkomsten hiervan, en hoe de inwerkingtreding verder gaat verlopen is nog niet helder.   Gevolgen kraamzorgorganisaties: Nieuwe kraamzorgorganisaties onder de nieuwe Wtza worden verplicht gesteld zich te melden en een vergunning aan te vragen.


Wet verbetering poortwachter (Wvp)

Wet verbetering poortwachter (Wvp)   Inleiding In de Wvp, die per 1 april 2002 van kracht werd, staan regels waaraan werkgevers en werknemers zich moeten houden bij langdurig ziekteverzuim, vooral in het eerste jaar. De regels zijn niet vrijblijvend: bij het niet nakomen ervan is het mogelijk dat de werkgever - maar ook de werknemer - te maken krijgt met sancties.   Ziekteverzuim in het bedrijf overkomt iedere werkgever. Vaak zijn zieke werknemers snel weer beter. Maar soms duurt verzuim veel langer dan werd gedacht of verwacht. De rechten en plichten bij ziekteverzuim liggen vast in de Wet verbetering poortwachter (Wvp). Voor de werkgever is de 'regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar' de belangrijkste regeling.   Het doel van deze wet In de Wet verbetering poortwachter is geregeld wat werknemers en werkgevers moeten doen om te bevorderen dat (langdurig) zieke werknemers zo snel mogelijk weer aan de slag gaan.   Inhoud en toepassing van de wet Uitgangspunt van de Wet verbetering poortwachter is dat werknemers geen arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen voordat alle mogelijkheden tot re-integratie zijn uitgeput. Bij de aanvraag van een WIA-uitkering, toetst de overheid het doorlopen re-integratietraject daarom streng, in de zogenaamde Poortwachtertoets. Als werkgever en werknemer zich niet voldoende hebben ingezet, moet de werkgever het loon blijven doorbetalen terwijl hij samen met de werknemer alsnog alles op alles zet om re-integratie mogelijk te maken. Sinds de Wet verlenging loondoorbetaling in 2004 inging, gelden de poortwachter plichten ook in het tweede ziektejaar.   Poortwachter in het kort De ziekte moet binnen een week zijn gemeld bij de arbodienst of de bedrijfsarts. Werkgever en arbodienst of bedrijfsarts houden contact met de zieke, minimaal eens in de zes weken. Samen onderzoeken ze de mogelijkheden om weer aan de slag te gaan. Denkt de arbodienst of bedrijfsarts na zes weken, dat het langer gaat duren? Dan geeft de arbodienst of bedrijfsarts de werkgever en de werknemer een probleemanalyse: een advies over de onderzochte mogelijkheden. Is werken aan herstel en re-integratie mogelijk en zinvol? Dan maken werkgever en werknemer uiterlijk in de achtste week een plan van aanpak. Zij moeten een casemanager aanstellen die de uitvoering van het plan bewaakt. Men moet eerst werken aan re-integratie binnen het eigen bedrijf. Lukt dat niet, dan moet de werkgever zelf de re-integratie bij een andere organisatie in gang zetten en daarbij zo nodig een re-integratiebedrijf inschakelen. In een re-integratiedossier wordt alles vastgelegd wat er wordt afgesproken en gedaan. Regelmatige bijsturing kan gewenst zijn. De werknemer en de arbodienst of bedrijfsarts moeten een afschrift hebben van het plan van aanpak en van de eventuele bijstellingen. Na 42 weken meldt de werkgever het verzuim aan UWV. Na een jaar ziekte is er een verplicht evaluatiemoment tussen werkgever en werknemer. Is de werknemer na twintig maanden nog niet aan de slag? Dan stellen werknemer en werkgever samen een re-integratieverslag op: wat is er concreet gedaan en bereikt en wat vinden ze daarvan? Als de werknemer een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvraagt, controleert UWV dit re-integratieverslag. Alleen als werknemer en werkgever zich genoeg hebben ingespannen om te voorkomen dat een uitkering nodig is, volgt eventueel de keuring. Als werkgever en werknemer beide denken dat ze met wat extra tijd alsnog zullen slagen, kunnen ze aan UWV vragen de keuring (maximaal een jaar) uit te stellen. Als de werkgever met de werknemer en/of arbodienst van mening verschilt over de re-integratie, dan kan hij bij het UWV een deskundigenoordeel aanvragen.   Werkwijzer Poortwachter Het UWV heeft een Werkwijzer Poortwachter ontwikkelt dat werkgevers en bedrijfsartsen helpt in de begeleiding en re-integratie van zieke of arbeidsongeschikte werknemers. De Werkwijzer Poortwachter geeft uitgebreid antwoord op vragen zoals: Wat verwacht UWV van de werkgever bij de re-integratie van een werknemer? Hoe toetst UWV of de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende zijn?   Klik hier voor de nieuwe versie Werkwijzer Poortwachter 1 mei 2020.   Doorbetaling loon Werkgevers moeten hun werknemers bij ziekte twee jaar lang 70% van het laatste loon doorbetalen. Voor het eerste ziektejaar zijn werkgevers wettelijk verplicht minimaal het minimumloon door te betalen. Dat geldt niet voor het tweede ziektejaar. Als een werkgever niet kan aantonen dat hij zich voldoende heeft ingespannen om de werknemer te laten re-integreren, dan kan hem verplicht worden om ook het derde jaar loon door te betalen.   Passend werk Lukt het niet om de werknemer terug te laten keren in zijn oude functie, dan moet de werkgever hem passend werk aanbieden binnen het bedrijf, bijvoorbeeld werken in deeltijd of met een aangepast takenpakket. In het uiterste geval kan de werkgever hem een andere functie aanbieden of een baan bij een andere werkgever. Weigert de werknemer dit werk te aanvaarden, dan kan dit leiden tot stopzetting van het loon en zelfs tot ontslag.   Tijdstabel Wet verbetering poortwachter  Wanneer Actie 1e ziektedag ziekmelding door werknemer uiterlijk dag 7 werkgever geeft de ziekte door aan de Arbodienst, welke dag is afhankelijk van afspraken met de Arbodienst 6e week werkgever ontvangt van de Arbodienst een risico-analyse, nodig om Plan van Aanpak op te stellen 8ste week werkgever stelt een Plan van Aanpak op in overleg met werknemer vanaf 8ste week regelmatige evaluatie van het Plan van Aanpak 42ste week werkgever meldt het verzuim aan het UWV 44ste week het UWV stuurt aan werkgever en werknemer een brief als de werknemer nog niet beter is gemeld. Deze brief wijst werkgever en werknemer op hun verplichtingen voor re-integratie 52ste week werkgever en werknemer evalueren na het eerste ziektejaar de re-integratie van werknemer. Dit wordt de eerstejaarsevaluatie genoemd. 20ste maand werknemer ontvangt het re-integratieverslag van werkgever. De Arbodienst stelt het medische deel van het re-integratieverslag op 91ste week werknemer dient op basis van het re-integratieverslag een aanvraag voor een WIA-uitkering in bij het UWV 104e week besluit UWV over het toekennen van een WGA/IVA-uitkering   Meer informatie over de Wvp kunt u vinden via deze site.   Gevolgen van deze wet voor Bo Geboortezorg De Wet verbetering poortwachter houdt in dat werkgever en werknemer zelf verantwoordelijk zijn voor een snelle re-integratie van de zieke werknemer. Hieraan zijn voor beide partijen tal van voorschriften verbonden. Het UWV geeft duidelijk aan welke stappen gezet moeten worden en welke documenten daarbij horen. Voor u als werkgever is het raadzaam een helder ziekteverzuimbeleid op te stellen; wellicht is het handig de formele stappen daarin een plaats te geven.   Op grond van een modernisering van de Ziektewet moeten werkgevers net zoals voor andere werknemers ook voor zieke tijdelijke krachten (in UWV-termen: vangnetters) re-integratie inspanningen gaan verrichten (volgens de Wet verbetering poortwachter). Werkgevers gaan via een nieuwe gedifferentieerde premie bijdragen aan uitkeringen vanuit de Ziektewet (ZW) aan flexwerkers. Eigenrisicodragerschap is ook mogelijk.   Juist tijdens de ziekteperiode is het dus van belang dat de werkgever voldoende contact blijft met de werknemer en zorgt voor een goede (re)-integratie. Indien dit niet gebeurt dan kan dit grote financiële gevolgen hebben.   N.B. Bij eventueel ontslag van een zieke werknemer dient nog steeds een transitievergoeding betaalt te worden.  


Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling   Inleiding Veel professionals zijn onzeker over de te zetten stappen als zij huiselijk geweld of kindermishandeling vermoeden of signaleren. Door de stappen te beschrijven die professionals in geval van signalen van geweld kunnen zetten, worden zij ondersteund in het effectief reageren op signalen van geweld. Dergelijke stappen vormen de basis van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.   Het doel van deze wet Er wordt vastgelegd welke elementen er minimaal in een meldcode moeten worden opgenomen. Op die manier wordt de uniformiteit van de verschillende meldcodes geborgd. Dit maakt het voor het advies- en meldpunt Veilig thuis en hulpverleners gemakkelijker om afspraken te maken met de verschillende organisaties die met meldcodes werken. De verplichte stappen moeten ervoor zorgen dat een zorgvuldige afweging wordt gemaakt, voordat eventueel wordt overgegaan tot een melding. Ook maken zij duidelijk op welke wijze wordt omgegaan met signalen van (mogelijk) huiselijk geweld of kindermishandeling.   Inhoud en toepassing van de wet Een meldcode moet tenminste zes elementen bevatten: Het stappenplan; bestaat uit de 5 stappen: In kaart brengen van de signalen, Collegiale consultatie, raadpleging Veilig Thuis of een letselduiding-deskundige, Een gesprek met de cliënt, Wegen van het geweld/kindermishandeling: Heb ik op basis van stap 1 tot en met 3 een vermoede van huiselijk geweld of kindermishandeling? Heb ik een vermoede van acute of structurele onveiligheid? Neem twee beslissingen: Is melden noodzakelijk? Is hulp verlenen of organiseren (ook) mogelijk? Als hulpmiddel heeft de overheid een basismodel huiselijk geweld en kindermishandeling opgesteld. Dit model kunt u gebruiken bij het ontwikkelen van een meldcode. Verantwoordelijkheidstoedeling, o.a. wie eindverantwoordelijk is voor de beslissing over het al dan niet doen van een melding; Indien van toepassing: specifieke aandacht voor bijzondere vormen van geweld, zoals eergerelateerd geweld Indien van toepassing: de mogelijkheid van het gebruik van de verwijsindex risicojongeren (art. 2b Wet op de jeugdzorg); Voor zover van toepassing: instructies voor het uitvoeren van een kindcheck bij cliënten. De kindcheck behelst het nagaan of er kinderen onder de zorg van de cliënt staan en beoordelen of kan worden vastgesteld of de kinderen veilig zijn. In opdracht van het ministerie van VWS wordt voor dit onderdeel een instrument ontwikkeld door een extern bureau. Specifieke aandacht voor het vertrouwelijke karakter van gegevens. Het gaat hier om het (afgeleide) beroepsgeheim. In de meldcode wordt de zorgvuldige omgang met gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, geborgd. Professionals hebben het wettelijke recht om te melden bij Veilig thuis en desgevraagd gegevens te verstrekken, zo nodig zonder toestemming van de cliënt.   Afwegingskader Bij stap 4 moet het geweld worden gewogen. Hierdoor is een afwegingskader beschikbaar. Hiermee kunnen professionals beoordelen of er sprake is van (een vermoeden van) ernstig huiselijk geweld of ernstige kindermishandeling. Alle beroepsgroepen dienen een kader op te stellen wat is toegesneden op de eigen werksituatie.   Bo Geboortezorg en Kenniscentrum Kraamzorg hebben een op de beroepsgroep afgestemd afwegingskader geschreven. Hierbij is de inbreng van het KCKZ vooral op de inhoud gericht geweest en die van Bo op de aansluiting op de bedrijfsvoering van  kraamzorgorganisaties. Lees hier meer over het afwegingskader.   Beroepsgeheim Kraamverzorgenden hebben een beroepsgeheim. Hierdoor mogen zij geen informatie over de cliënt aan andere geven tenzij de cliënt daar toestemming voor geeft. De cliënt kan zich hierdoor vrij voelen om alles te vertellen. Maar het kan in het belang zijn van de cliënt als een kraamverzorgende vertrouwelijke gegevens uitwisselt met anderen.   Daarom is in de wet meldcode een meldrecht voor huiselijk geweld opgenomen. Een meldrecht houdt in dat professionals met een beroepsgeheim (vermoedens van) huiselijk geweld mogen melden bij Veilig thuis. Ook zonder toestemming van de betrokkenen. Er dient dan wel sprake te zijn van ernstig gevaar of ernstige dreiging voor de cliënt of zijn omgeving.   Op dit moment ligt er een voorstel tot wijziging van het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling bij de Raad van State voor advies. Kort samengevat bevat deze wijziging voor artsen en (jeugd)hulpverleners de verplichting om in hun meldcode een afwegingskader op te nemen. Op grond daarvan zijn zij in staat om te beoordelen of sprake is van (de mogelijkheid van) ernstige kindermishandeling. Bij ernstige kindermishandeling zullen artsen en (jeugd)hulpverleners voortaan een melding moeten doen bij Veilig Thuis.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Met inachtneming van bovenstaande minimumeisen dienen organisaties (en ook zelfstandig werkende professionals) een meldcode op te stellen die past bij de eigen werksituatie qua omvang, inrichting en type werk. Organisaties zijn dus zelf verantwoordelijk voor hoe de meldcode wordt ingebed in de werkwijze van de betreffende instelling. U kunt hiervoor gebruik maken van de het zorgprototocol Vroegsignalering & werken met de meldcode van het KCKZ.   Verder  dient u het gebruik van de meldcode te bevorderen (scholing). Daarvoor is de Leidraad verwerving benodigde competenties Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (maart 2014) geschreven. In hoofdstuk 8 is specifieke informatie over de meldcode opgenomen.   Wij adviseren leden van Bo geboortezorg een aantal zaken te regelen: Een organisatie moet benoemen wie de eerder behandelde stappen moet doorlopen. Tevens dient te worden vastgelegd wie eindverantwoordelijk is voor de beslissing om wel of geen melding te doen. Een organisatie dient vast te leggen hoe medewerkers dienen om te gaan met vertrouwelijke gegevens (een protocol).   Check ook de toolkit.  


Wet werk en zekerheid

Wet werk en zekerheid   Inleiding De WWZ streeft naar een nieuw evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt. Naar aanleiding van de invoering van de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) zijn een aantal regelingen in de WWZ gewijzigd.   Het doel van deze wet Het doel van deze wet was een verschuiving van baanzekerheid naar werkzekerheid. Op drie terreinen zijn daarvoor maatregelen getroffen: de regels voor ontslag zijn aangepast, rechtspositie van flexwerkers is versterkt en de werkloosheidsregelingen zijn aangepast.   Inhoud en toepassing van de wet De veranderingen gingen op drie verschillende momenten in: op 1 januari en 1 juli 2015 en 1 januari 2016.   Welke ontslagroute gevolgd moet worden, is afhankelijk van de oorzaak ervan. Zijn er persoonlijke redenen, dan gaat het via de rechter; bij bedrijfseconomische redenen gaat het via het UWV.   Werknemers kunnen voortaan eerder aanspraak maken op een vast contract. Langdurig gebruik van nulurencontracten zonder loondoorbetalingsverplichten wordt aan banden gelegd. De duur van de WW gaat terug van 38 naar 24 maanden. In de CAO kan dat weer aangevuld worden (privaat gefinancierd).   Vanaf 1 januari 2020 geldt onder de WAB dat werknemers vanaf de eerste dag recht hebben op een transitievergoeding. Dit geldt ook tijdens de proeftijd. In de Wet Werk en zekerheid was eerst geregeld dat pas na een dienstverband van twee jaar of langer een werknemer recht heeft op een transitievergoeding. Dit is dus komen te vervallen. Ook is vanaf 1 januari 2020, op grond van de WAB, de ketenregeling aangepast: een werkgever mag vanaf 1 januari 2020 maximaal drie tijdelijke arbeidscontracten afsluiten met de maximale duur van 36 maanden in plaats van 24 maanden.   Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Omdat er een groot aantal en ingrijpende wijzigingen zijn die direct gevolgen hebben voor bijv. de bepalingen in arbeidsovereenkomsten, zetten we ze hier wat uitgebreider op een rij.   Proeftijd  (artikel 7:652 BW) In tijdelijke contracten van 6 maanden of korter mag geen proeftijd meer opgenomen worden.   Concurrentiebeding (artikel 7:653 BW) Een concurrentiebeding mag in een tijdelijk contract enkel opgenomen worden als dit noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfsbelangen welke gemotiveerd zijn in een beding. Wanneer er een motivering is opgenomen, maar de werknemer van mening is dat er niet of niet meer sprake is van zodanige zwaarwichtige bedrijfs- of dienstbelangen dat die een concurrentiebeding noodzakelijk maken, kan hij dit voorleggen aan de rechter. Op arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 januari 2015, blijven de oude regels (oud artikel 7: 653 leden 1 t/m 3 BW) van toepassing.   Aanzegtermijn U dient werknemers met een contract voor bepaalde tijd van 6 maanden of langer uiterlijk een maand voor het aflopen van het contract schriftelijk te laten weten of u het contract gaat verlengen ja of  nee (sanctie: werknemer kan financiële vergoeding claimen) en ook over de voorwaarden waaronder het contract eventueel wordt voortgezet (sanctie: voortzetting onder dezelfde voorwaarden en voor dezelfde tijd, maar voor ten hoogste een jaar). Er geldt geen aanzegtermijn als een arbeidsovereenkomst voor een kortere periode dan zes maanden is aangegaan en er geldt ook geen aanzegtermijn als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt op een tijdstip dat niet op een kalenderdatum is vastgesteld, bijvoorbeeld als het is aangegaan voor de duur van een bepaald project of voor ziektevervanging. Houdt u dus voor alle arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd de aanzegtermijn goed  in de gaten.   Loondoorbetaling bij oproepkrachten (artikel 7:628 BW) U bent als werkgever verplicht het loon door te betalen als de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht, tenzij dit in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Een oproepkracht (waarvan het arbeid niet of niet eenduidig is vastgelegd) dient conform de WAB minimaal vier dagen van te voren schriftelijk te worden opgeroepen door de werkgever. Doet de werkgever dit niet, dan kan een oproepkracht weigeren om te werken. Indien de werkgever de oproep minder dan vier dagen van te voren annuleert, heeft de oproepkracht recht op loon over de opgeroepen uren. Tot slot is de werkgever verplicht om de werknemer na 12 maanden een arbeidscontract aan te bieden voor een arbeidsomvang gelijk aan het gemiddeld gewerkte uren per maand in het voorgaande jaar.   Ketenbepaling Een werknemer heeft na drie jaar, met maximaal  drie tijdelijke contracten recht op een vast dienstverband. De tussenpoos waarmee contracten als opeenvolgend worden gezien is zes maanden. Dus enkel wanneer een onderbreking in de keten van opvolgende arbeidscontracten langer is dan 6 maanden begint de telling van de contracten opnieuw.   De ketenbepaling is niet van toepassing op: Arbeidsovereenkomsten aangegaan in het kader van een beroepsbegeleidende leerweg (BBL) als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Arbeidsovereenkomsten aangegaan met werknemers jonger dan 18 jaar met een gemiddelde arbeidsduur van 12 uur of minder per week (gemiddeld over de looptijd van hun arbeidsovereenkomst bezien). De nieuwe ketenbepaling treedt in werking op de dag waarop zij 18 jaar worden. De duur van de keten (max. 36 maanden) wordt vanaf die dag geteld, de op die dag lopende arbeidsovereenkomst telt dan als eerste in de keten.   Ontslag en transitievergoeding Er komen twee vaste ontslagroutes die afhankelijk zijn van de reden van het ontslag: ontslag wegens bedrijfseconomische redenen of langdurige arbeidsongeschiktheid: ontslagaanvraag via het UWV; ontslag wegens vermeend disfunctioneren, verwijtbaar handelen, nalaten werknemer of een verstoorde arbeidsverhouding: ontslag via de kantonrechter. In de WWZ moet de werkgever (minimaal) één van de ontslaggronden volledig te onderbouwen voor een succesvol ontslag via de kantonrechter. Met de WAB wordt de cumulatiegrond geïntroduceerd, zodat het mogelijk wordt om onvolledig onderbouwde ontslaggronden te combineren. Bijvoorbeeld disfunctioneren en een verstoorde arbeidsverhouding: afzonderlijk zouden zij niet tot ontslag kunnen leiden vanwege een gebrek aan onderbouwing door de werkgever, maar via de cumulatiegrond wel. Indien de cumulatiegrond als ontslaggrond wordt ingezet, kan de rechter echter – naast de transitievergoeding – maximaal de helft van die vergoeding extra aan de werknemer toekennen.   Transitievergoeding (artikel 7:673 BW) De transitievergoeding is in beginsel verschuldigd bij opzegging van de arbeidsovereenkomst door of ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van u als werkgever, of bij het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na een einde van rechtswege zonder dat u als werkgever een nieuw contract aanbiedt. Ook is de transitievergoeding verschuldigd wanneer sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van u als werkgever en de werknemer vervolgens de arbeidsovereenkomst op zijn initiatief beëindigt of niet voortzet. Met de invoering van de WAB bent u deze vergoeding vanaf de eerste dag van het dienstverband verschuldigd, ook tijdens de proeftijd. Er bestaat geen recht op een transitievergoeding: wanneer sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer; wanneer de het contract van de werknemer is beëindigd met wederzijds goedvinden; voor werknemers die jonger dan 18 jaar zijn en 12 uur per week of minder werken; voor diegene waarvan het contract afloopt wegens de AOW-gerechtigde leeftijd; als sprake is van faillissement, surseance of schuldsanering van de werkgever. De hoogte van de transitievergoeding: Voor de berekening wordt uitgegaan van de daadwerkelijke duur van het dienstverband. Transitie vergoeding bedraagt 1/3 bruto maandsalaris per gewerkt jaar. Kleinere werkgevers kunnen in aanmerking komen voor compensatie van de transitie vergoeding als zij hun onderneming beëindigen vanwege ziekte en/of pensionering.   Kosten die in mindering gebracht kunnen worden op de transitievergoeding De transitievergoeding kan gebruikt worden voor scholing, om over te stappen naar een andere baan of een ander beroep. Op de transitievergoeding kunnen in mindering  worden gebracht: kosten van maatregelen in verband met het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid van de werknemer; en kosten verband houdende met het bevorderen van de bredere inzetbaarheid van de werknemer die tijdens de arbeidsovereenkomst zijn gemaakt.   Veertiendaagse bedenktermijn U heeft als werkgever de plicht om in een beëindigingsovereenkomst óf binnen twee werkdagen nadat een werknemer schriftelijk heeft ingestemd met de opzegging (als bedoel in artikel 7:671 en 7:670a lid 2 BW) de werknemer schriftelijk te wijzen op de veertiendaagse bedenktermijn. Binnen deze veertien dagen heeft de werknemer het recht om de beëindigingsovereenkomst zonder opgaaf van reden, te ontbinden. Indien u niet heeft voldaan aan deze informatieplicht kan de werknemer de termijn verlengen naar drie weken.   Scholingsrecht Er kom een wettelijk scholingsrecht wat inhoudt dat u een werknemer in staat moet stellen om scholing te volgen die noodzakelijk is voor het uitoefenen van zijn/haar functie. U heeft ook een scholingsplicht als de functie van een medewerker komt te vervallen of als hij zijn eigen functie niet langer kan vervullen.   WW-uitkering De maximale duur van de WW-uitkering wordt vanaf januari 2016 geleidelijk verkort van 38 naar 24 maanden (2016-2019).  Indien men langer dan een half jaar in de WW zit wordt al het werk als passend ervaren. Indien men dan aan het werk gaat en iemand krijgt minder loon dan de hoogte van de WW uitkering dan wordt het bedrag aangevuld vanuit de WW zodat werken vanuit de WW altijd loont.   N.B. à Bij een nul-urencontract/uitzendkracht/oproepkracht geldt ook het recht op een transitievergoeding vanaf de eerste werkdag. Bij contracten zonder vast aantal arbeidsuren of andere variabel, structureel loon moet worden uitgegaan van het gemiddelde maandsalaris over de laatste 3 tot 5 jaren bij de berekening van de transitievergoeding.    


ZonMw

ZonMw www.zonmw.nl   ZonMw financiert gezondheidsonderzoek én stimuleert het gebruik van de ontwikkelde kennis, om daarmee de zorg en gezondheid te verbeteren. ZonMw stimuleert met allerlei subsidieprogramma’s de totale innovatiecyclus. Van fundamenteel onderzoek tot implementatie van nieuwe behandelingen, preventieve interventies of verbeteringen in de structuur van de gezondheidszorg.   ZonMw heeft als hoofdopdrachtgevers: Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) Ministeries, NWO en andere organisaties geven ZonMw de opdracht om oplossingen te zoeken voor bepaalde knelpunten of om gerichte werkterreinen te stimuleren. Een analyse door deskundigen is de basis voor een programma, dat richting geeft aan oplossingen en onderzoek. Binnen een programma kunnen wetenschaps- en praktijkinstellingen onderzoek doen of op projectbasis vernieuwingen ontwikkelen, testen en uitvoeren.   Regelmatig kunnen onderzoekers, zorgverleners en instellingen gericht op zorg en gezondheid subsidie aanvragen voor onderzoeks- en innovatieprojecten passend binnen een programma. Een deskundige commissie, geadviseerd door onafhankelijke experts selecteert de voorstellen. Bij de selectie van subsidievoorstellen zoekt ZonMw vernieuwing in combinatie met kwaliteit.   Voor kraamzorgorganisaties is het programma Zwangerschap & Geboorte(2011-2016) relevant. In 2016 is hierin een call geweest voor onderzoek naar de kraamzorg. Hieruit zijn 5 onderzoeken gestart waarover u hier meer kun lezen.   Het ministerie van VWS heeft in 2017 €12,2 miljoen ter beschikking gesteld aan ZonMw voor het vervolgprogramma ‘Zwangerschap en geboorte II’. Het vervolgprogramma bouwt voort op de kennis en kennisinfrastructuur die in het eerste programma zijn ontwikkeld. Begin mei 2017 is de eerste subsidieronde opengesteld, welke een looptijd van vier jaar heeft. Kraamzorg wordt beschouwd als onderdeel van de integrale geboortezorgketen en valt dus binnen de kaders van dit programma. Meer informatie over dit onderzoeksprogramma kunt u hier lezen.   Het ZonMw programma ‘Wat werkt voor de jeugd’ heeft in juli 2020 een nieuwe subsidieoproep geplaats. Onderzoeksvoorstellen die kennis opleveren over wat werkt bij het tijdig signaleren, en zo goed mogelijk ondersteunen, van kinderen en gezinnen in kwetsbare omstandigheden kunnen worden ingediend. Meer informatie over dit onderzoeksprogramma kunt u hier lezen.


Zorginstituut Nederland

Zorginstituut Nederland www.zorginstituutnederland.nl   Zorginstituut Nederland is een advies- en uitvoeringsorganisatie op het gebied van de gezondheidszorg. Het Zorginstituut Nederland, tot medio 2013 het college voor zorgverzekeringen (CVZ), richt zich voornamelijk op de basisverzekering zoals die is vastgelegd in twee belangrijke zorgwetten: de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Het Kwaliteitsinstituut richt zich ook op de individuele (gezondheids)zorg; zorg die door professionals of instellingen aan patiënten en cliënten wordt geleverd, ongeacht of deze in het basispakket zit of niet.   De taken van het zorginstituut Nederland bestaan uit: Adviseren over, en verduidelijken van het basispakket aan zorg, Bevorderen kwaliteit en inzichtelijkheid van de zorg, Zinnig Zorg – Systematisch doorlichten van het basispakket, Financiering en kostenontwikkeling Zvw en Wlz. Adviseren over, en verduidelijken van het basispakket aan zorg Deze taken van het Zorginstituut zijn gericht op een basispakket aan zorg waarin kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid in balans zijn en waarvoor maatschappelijk draagvlak bestaat. Het Zorginstituut adviseert de minister van VWS over de kwaliteit, toegang en betaalbaarheid van het basispakket. Ten tweede adviseert het Zorginstituut de minister van VWS over de opname van apotheekgeneesmiddelen in het geneesmiddelenvergoedingssystemen en dus in het basispakket. Ten derde stelt het Zorginstituut standpunten vast met betrekking tot welke zorg tot het basispakket hoort in het geval van onduidelijkheid.   Bevorderen kwaliteit en inzichtelijkheid van de zorg Het Zorginstituut stimuleert de continue kwaliteitsverbetering in de gezondheidszorg en het voor iedereen toegankelijk maken van begrijpelijke en betrouwbare informatie over de kwaliteit van de geleverde zorg. Kwaliteitsstandaarden en de bijbehorende meetinstrumenten en informatiestandaarden leveren hier als kwaliteitsinstrumenten een belangrijke bijdrage aan. Het Zorginstituut stelt kwaliteitsgegevens voor publiek gebruik via een openbare database beschikbaar aan de zorgverzekeraars voor hun zorginkoop en aan consumentenwebsites. Specifiek benoemde zorgsectoren hebben de wettelijke verplichting om duidelijk omschreven gegevens over de kwaliteit van verleende zorg bij het Zorginstituut aan te leveren.   De Meerjarenagenda van het Zorginstituut is de wettelijk erkende afsprakenlijst met een overzicht van kwaliteitsstandaarden, informatiestandaarden en meetinstrumenten die met voorrang moeten worden ontwikkeld. Het Zorginstituut begeleidt en bevordert de ontwikkeling en implementatie van de op de Meerjarenagenda geplaatste kwaliteitsinstrumenten. Bij het niet realiseren of halen van de in die Meerjarenagenda vastgelegde afspraken en termijnen kan het Zorginstituut in het algemeen belang de ontwikkeling van een kwaliteitsstandaard, meetinstrument of informatiestandaard tijdelijk van betrokken partijen overnemen.   In een openbaar register, het Register op Zorginzicht, staat wat zorgaanbieders, patiënten, cliënten en zorgverzekeraars samen hebben afgesproken over wat goede zorg is voor een specifiek zorgonderwerp; dat gebeurt in de vorm van kwaliteitsstandaarden en de bijbehorende informatiestandaarden en meetinstrumenten. Het zorginstituut ondersteunt dit proces met advies, onderzoek en het ontwikkelen van algemene spelregels voor het maken van kwaliteitsstandaarden en de bijbehorende informatiestandaarden en meetinstrumenten.   Zinnige Zorg – Systematisch doorlichten van het basispakket Iedereen in Nederland moet erop kunnen rekenen dat hij of zij goede zorg krijgt. Niet meer dan nodig en niet minder dan noodzakelijk. En dat daarvoor geen onnodige kosten worden gemaakt. Het Zorginstituut beoordeelt daarom of de diagnostiek en de therapeutische interventies die deel uitmaken van het basispakket op een patiëntgerichte, effectieve en doelmatige manier worden ingezet.   Financiering en kostenontwikkeling Zvw en Wlz Het Zorginstituut speelt een belangrijke (uitvoerende) rol bij geldstromen die omgaan in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Met de financiële taken draagt het Zorginstituut bij aan een goed werkend en betaalbaar zorgstelsel voor iedereen. Onder deze financiële taken valt onder andere het innen en verdelen van de gelden voor het Zorgverzekeringsfonds en het Fonds langdurige zorg, en het analyseren van zorgkostenontwikkeling met behulp van Big Data.


Zorgstandaard Integrale geboortezorg

Zorgstandaard Integrale geboortezorg   Het Zorginstituut Nederland heeft op 28 juni 2016 de Zorgstandaard_Integrale_Geboortezorg vastgesteld en in het kwaliteitsregister opgenomen. De Zorgstandaard is gebaseerd op de concept Zorgstandaard 'Integrale geboortezorg', die onder regie van het College Perinatale Zorg (CPZ) tot stand is gekomen. In de Zorgstandaard staat beschreven hoe de basiszorg voor zwangeren eruit moet zien. Er is veel aandacht voor preventie, voorlichting, aanpak kwetsbare zwangeren en parallelle acties bij acute zorg. Alles om de zorg verder te optimaliseren. Voor kraamzorgorganisaties is het belangrijk goed op de hoogte van de inhoud te zijn.   Belangrijke uitgangspunten Zorgstandaard Doel van de Zorgstandaard is een bijdrage te leveren aan de verbetering van de kwaliteit van zorg aan zwangeren en hun (ongeboren) kind. De volgende uitgangspunten zijn belangrijk: De zorgvraag van de zwangere staat centraal. Zorgverleners wegen in concrete situaties relevante (risico-) factoren af en geven, in samenspraak met de zwangere, het beleid vorm. Zwangerschap en geboorte zijn unieke gebeurtenissen in het leven van iedere vrouw. Het zijn normale, fysiologische processen die geheel en al behoren tot de eigen ervaringen van de aanstaande moeder en haar partner. Zowel onder- als overbehandeling moet daarbij voorkomen worden. Samenwerking vindt plaats op basis van gelijkwaardigheid. Zowel op multidisciplinair en lijnoverstijgend; met respect voor elkaar en elkaars vakspecifieke deskundigheid.


Zorgverzekeraars Nederland (ZN)

Zorgverzekeraars Nederland (ZN) www.zn.nl   ZN is een brancheorganisatie van zorgverzekeraars. ZN behartigt de belangen van de zorgverzekeraars, zoals Bo Geboortezorg de belangen van kraamzorgaanbieders behartigt. De vereniging heeft als doel om de zorgverzekeraars te ondersteunen bij hun missie: het realiseren van goede, betaalbare en toegankelijke zorg voor alle verzekerden, gericht op het bevorderen van gezondheid en kwaliteit van leven.   De hoofdactiviteit van ZN is het realiseren van voorwaarden waarbinnen de leden het vak van zorgverzekeraar optimaal kunnen uitoefenen.   ZN wil een gezaghebbende en betrouwbare gesprekspartner zijn in het veld van de gezondheidszorg, samen met de overheid en landelijke organisaties van zorgaanbieders, patiënten en consumenten en andere maatschappelijke organisaties. ZN neemt actief deel aan het maatschappelijke debat over de inrichting van het zorgverzekeringsstelsel en het aanbod en de kwaliteit van de zorgvoorzieningen.   Zorgverzekeraars Verzekeren is het afkopen van bepaalde risico's. Zorgverzekeraars nemen, in ruil voor een ontvangen premie, bepaalde zorgrisico's over van hun verzekerden. Mocht de verzekerde onverhoopt zorg nodig hebben, dan staat de zorgverzekeraar garant voor de betaling van de kosten van die zorg - uiteraard met inachtneming van de voorwaarden in de verzekeringspolis. De met de zorgverzekering te verzekeren risico's bestaan uit de behoefte aan geneeskundige zorg, mondzorg, farmaceutische zorg, hulpmiddelenzorg, verpleging, verzorging, verblijf in verband met geneeskundige zorg en het vervoer in verband met het ontvangen van zorg. Bij ZN zijn op dit moment alle in Nederland werkzame zorgverzekeraars aangesloten. Volgens die visie van ZN behartigen zorgverzekeraars als maatschappelijke ondernemers de belangen van hun verzekerden. ZN ondersteunt de zorgverzekeraars door effectieve belangenbehartiging en collectieve dienstverlening vanuit een gemeenschappelijke visie met de volgende uitgangspunten: Zorgverzekeraars hanteren solidariteit en voor iedereen gelijke toegankelijkheid van de zorg als uitgangspunten binnen een privaat verzekeringsstelsel Zorgverzekeraars streven naar voortdurende verbetering van kwaliteit van zorg, gezondheid en kwaliteit van leven van hun verzekerden Zorgverzekeraars maken zich sterk voor doelmatige zorg en kostenbeheersing Zorgverzekeraars zetten betrouwbaarheid, goede service en gemak voorop, zowel voor verzekerden als voor zorgaanbieders. De uitgangspunten zijn: zekerheid, zo min mogelijk administratieve lasten en glasheldere informatie Zorgverzekeraars zijn niet primair gericht op het maken van winst. Ondernemerschap en onderlinge concurrentie staan in dienst van betere en betaalbare zorg en het bieden van keuzemogelijkheden aan verzekerden. Individuele zorgverzekeraars Alle leden van Bo Geboortezorg moeten in gesprek met individuele zorgverzekeraars over een contract. Hierbij wordt gecontroleerd of de kraamzorgorganisatie voldoen aan de inkoopeisen van de zorgverzekeraar. Iedere zorgverzekeraar mag haar eigen inkoopbeleid met inkoopeisen opstellen. Ze publiceren dit beleid uiterlijk 1 april van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het beleid van toepassing is.   Het soort contract, en daarmee de tarieven, varieert naar gelang voldaan kan worden aan de eisen van de verzekeraar. De basiseisen van de verzekeraars komen grotendeels overeen met de lidmaatschapseisen van Bo.   Bo voert ieder jaar meerdere gesprekken met zowel alle individuele zorgverzekeraars als met ZN. In deze gesprekken worden onderwerpen zoals het zorginkoopbeleid, projecten en het proces van contractering besproken. Bo voedt de zorgverzekeraars met informatie over de sector zodat dit meegenomen kan worden in de beleidskeuzes van de zorgverzekeraars. Omdat Bo geen contracterende partner is mag zij alleen in gesprek over het beleid. Bo kan en mag niet namens haar leden onderhandelen over het tarief. Indien een kraamzorgorganisatie wil onderhandelen over het contract, zal de organisatie dit zelf met de individuele zorgverzekeraar moeten doen.  


Zorgverzekeringswet (Zvw)

Zorgverzekeringswet (Zvw)   Inleiding De Zorgverzekeringswet bestaat sinds 2006 en is de vervanger van de ziekenfondsverzekering, de particuliere ziektekostenverzekering en de publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren. Iedereen die rechtmatig (legaal) in Nederland woont of in Nederland loonbelasting betaalt, is verplicht een zorgverzekering af te sluiten. Er zijn enkele uitzonderingen: militairen in actieve dienst en mensen die principiële bezwaren hebben tegen verzekeringen. De zorgverzekeraar is verplicht iedereen te accepteren voor de zorgverzekering (basisverzekering).   Het doel van deze wet Het doel van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is door een wettelijk verplichte verzekering te voorzien in basisgezondheidszorg voor (vrijwel) de gehele Nederlandse bevolking.   Inhoud en toepassing van de wet De Zorgverzekeringswet omvat een basispakket waarvoor verzekering verplicht is. Voor een uitgebreidere dekking van ziektekosten kan op vrijwillige basis worden bijverzekerd. De overheid stelt de inhoud van het basispakket vast. Aanvullende verzekeringen kunnen per verzekeraar verschillen. De overheid heeft hier geen bemoeienis mee.   Zorgverzekeraars zijn niet verplicht met iedere zorgaanbieder een contract te sluiten. De zorgverzekeraar stelt eisen aan de zorgverlening en op basis daarvan mag hij een selectie maken van zorgaanbieders die voor zijn verzekerden de zorg mogen leveren. Jaarlijks vinden de contracteringen plaats waarbij de zorgverzekeraar met de zorgaanbieder afspraken maakt over de te leveren zorg tegen een afgesproken tarief.   De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ziet toe op de uitvoering van de Zorgverzekeringswet door de zorgverzekeraars.   Tot slot regelt de Zorgverzekeringswet op grond van art. 66d, derde lid, dat het Zorginstituut Nederland aangewezen is als instantie waar zorgaanbieders kwaliteitsinformatie moeten aanleveren.   Sinds 1 juli 2017 is het besluit cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens in werking getreden. Deze wet heeft ten doel om gegevens van de cliënt/patiënt beter te beschermen. Door de inwerkingtreding van dit besluit zijn er in de Wmg enkele wijzigingen aangebracht. Zie hiervoor document 2.19 “Wet cliëntenrechten bij elektronische verwerking  van gegevens”. Gevolgen van deze wet voor leden van Bo Geboortezorg Alle leden van Bo Geboortezorg moeten in gesprek met zorgverzekeraars over een contract. Hierbij wordt gecontroleerd of de kraamzorgorganisatie voldoen aan de inkoopeisen van de zorgverzekeraar. Iedere zorgverzekeraar mag haar eigen inkoopbeleid met inkoopeisen opstellen. Ze publiceren dit beleid uiterlijk 1 april van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het beleid van toepassing is.   Eisen die in ieder geval altijd terug komen zijn: Voldoen aan basiskwaliteitseisen kraamzorg Voldoen aan Algemene leveringsvoorwaarden Hanteren van Landelijke Indicatie Protocol Houden aan Zorgbrede Governance Code Volgen van CAO Hebben van een kwaliteitscertificaat (HKZ, ISO of vergelijkbaar). Het soort contract, en daarmee de tarieven, varieert naar gelang voldaan kan worden aan de eisen van de verzekeraar. De basiseisen van de verzekeraars komen grotendeels overeen met de lidmaatschapseisen van Bo. Bo vat het inkoopbeleid van de grootste zorgverzekeraars ieder jaar voor u samen en gaat hierover met de zorgverzekeraars in gesprek.        


 



Gepubliceerd op 30 november 2016
 
 
 

Contact


 
Locatie
Bo Geboortezorg
Europalaan 500 (Unit W.4.3 + W.4.4)
3526 KS Utrecht
Copyright © SD Communicatie    Disclaimer    Privacy Statement